Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3001

Raad van State

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.002190
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf

De zaak betreft een verzoek van de minister van Asiel en Migratie om een voorlopige voorziening te treffen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 april 2026. De rechtbank had het beroep van betrokkene tegen een besluit van de minister gegrond verklaard en het besluit vernietigd, met de opdracht een nieuw besluit te nemen.

De minister had eerder een aanvraag van betrokkene om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. Na eerdere procedures en vernietigingen door de rechtbank, was het nieuwe besluit van de minister opnieuw aangevochten en vernietigd.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het hoger beroep nader onderzoek vergt en dat de procedure voor een voorlopige voorziening geschikt is om te voorkomen dat de uitspraak van de rechtbank direct wordt uitgevoerd. Daarom wordt de voorlopige voorziening toegekend, zodat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

De voorzieningenrechter bepaalt tevens dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.J.W.P. van Gastel op 28 mei 2026.

Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.002190
Datum uitspraak: 28 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 april 2026 in zaak nr. NL25.12662 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 26 juli 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Bij besluit van 17 februari 2025 heeft de minister het door betrokkene gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 april 2026 heeft de rechtbank het tegen dat nieuwe besluit door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. N. Vreede en mr. L.C.A. Haenen, advocaten in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.        Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzieningenrechter
w.g. A Campo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026
907