AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in asielzaak en verwijzing naar rechtbank
Verzoekers hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake asielaanvragen, maar dit hoger beroep ingetrokken en tegelijkertijd een verzoek ingediend om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat proceskostenveroordeling kan worden toegekend indien de minister aan verzoekers is tegemoetgekomen of het belang bij een uitspraak door toedoen van de minister is vervallen.
Het hoger beroep betrof de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn door de minister. De Afdeling heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie, dat op 5 maart 2026 antwoord heeft gegeven. De Afdeling moet nog een einduitspraak doen, maar constateert dat de minister de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden bij de besluiten van 27 maart 2026, waarin de asielaanvragen van verzoekers zijn afgewezen.
De Afdeling wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe en legt een wegingsfactor van 0,5 toe omdat het hoger beroep uitsluitend ging over het niet tijdig nemen van besluiten. Tevens verwijst de Afdeling de van rechtswege ontstane beroepen tegen de besluiten van 27 maart 2026 naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, omdat deze rechtbank gespecialiseerd is in de toetsing van asielbesluiten in eerste aanleg. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van € 467,00 aan proceskosten.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en de beroepen worden verwezen naar de rechtbank Den Haag.
Uitspraak
202403654/1/V1.
Datum uitspraak: 26 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker A] en [verzoeker B],
verzoekers,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).
Procesverloop
Verzoekers, vertegenwoordigd door mr. F. Zeven, advocaat in Amsterdam, hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2024 in zaak nr. NL24.11349.
De minister van Asiel en Migratie heeft nadere stukken ingediend.
Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij hen opgekomen proceskosten.
Overwegingen
Het verzoek om een proceskostenveroordeling
1. Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 vanPro de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoekers is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2. Het hoger beroep gaat over de rechtmatigheid van het door de minister verlengen van de beslistermijn met WBV 2023/3 in asielzaken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, hierover prejudiciële vragen gesteld. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 5 maart 2026, Safita, ECLI:EU:C:2026:160, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling moet hierover eerst nog einduitspraak doen. Het antwoord op de rechtsvraag of de minister die beslistermijn rechtmatig heeft verlengd, heeft in dit geval geen invloed op de vraag of verzoekers hun proceskosten vergoed moeten krijgen. In dit geval heeft de minister op 27 maart 2026 besluiten genomen op de aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
3. De Afdeling wijst het verzoek toe. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van besluiten op de asielaanvragen. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
De besluiten van 27 maart 2026
4. Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken. De toetsing van de Afdeling beperkt zich dus tot de besluiten van 27 maart 2026. Die besluiten worden namelijk, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 vanPro de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De minister heeft in de besluiten van 27 maart 2026 de asielaanvragen van verzoekers afgewezen. Verzoekers hebben niet laten weten het eens te zijn met die besluiten.
5. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om de van rechtswege ontstane beroepen tegen de besluiten van 27 maart 2026, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank de beroepen tegen die besluiten toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
6. De Afdeling verwijst de beroepen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verwijst de beroepen tegen de besluiten van 27 maart 2026, V-[…] en V-[…], V-[…] en V-[…], naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.