ECLI:NL:RVS:2026:2972
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in asielzaak en verwijzing naar rechtbank
Verzoekers hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake asielaanvragen, maar dit hoger beroep ingetrokken en tegelijkertijd een verzoek ingediend om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat proceskostenveroordeling kan worden toegekend indien de minister aan verzoekers is tegemoetgekomen of het belang bij een uitspraak door toedoen van de minister is vervallen.
Het hoger beroep betrof de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn door de minister. De Afdeling heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie, dat op 5 maart 2026 antwoord heeft gegeven. De Afdeling moet nog een einduitspraak doen, maar constateert dat de minister de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden bij de besluiten van 27 maart 2026, waarin de asielaanvragen van verzoekers zijn afgewezen.
De Afdeling wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe en legt een wegingsfactor van 0,5 toe omdat het hoger beroep uitsluitend ging over het niet tijdig nemen van besluiten. Tevens verwijst de Afdeling de van rechtswege ontstane beroepen tegen de besluiten van 27 maart 2026 naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, omdat deze rechtbank gespecialiseerd is in de toetsing van asielbesluiten in eerste aanleg. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van € 467,00 aan proceskosten.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en de beroepen worden verwezen naar de rechtbank Den Haag.