ECLI:NL:RVS:2026:2899
Raad van State
- Hoger beroep
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- J. Luijendijk
- J.A.W. Huijben
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor verboden arbeid door vijftienjarig kind in kleine onderneming
De zaak betreft een boete opgelegd aan de vennoten van een inmiddels opgeheven vennootschap onder firma in Rotterdam, omdat zij een vijftienjarig kind verboden arbeid lieten verrichten, namelijk frituren, op dertien dagen tussen 7 september en 5 oktober 2022. De Arbeidsinspectie stelde dit vast tijdens een controle en legde een boete van €19.500 op. De rechtbank vernietigde het besluit deels en stelde de boete vast op €17.062,50.
De appellanten voerden aan dat het kind niet op alle dertien dagen had gefrituurd en dat de boete onevenredig hoog was gezien de kleine omvang van hun onderneming en hun financiële situatie. De Raad van State oordeelde dat de verklaringen van het kind en een vennoot voldoende waren om aan te nemen dat het kind op alle dagen gefrituurd had. Ook was het boetebeleid, inclusief correcties voor kleine ondernemingen en verhoging bij gevaarlijke situaties, niet onredelijk.
Verder verwierp de Raad van State de stelling dat het handhavingsbeleid was gewijzigd waardoor minder overtredingen zouden moeten worden aangenomen. Ook de financiële situatie van de appellanten was onvoldoende onderbouwd om matiging van de boete te rechtvaardigen. Het incidenteel hoger beroep van de minister werd eveneens ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €17.062,50 voor het laten verrichten van verboden arbeid door een vijftienjarig kind.