Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2823

Raad van State

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.000976
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod na bezwaar en beroep

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 18 januari 2024 de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van appellant ingetrokken en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 5 augustus 2025 door de minister ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 6 februari 2026 het beroep ongegrond verklaarde.

Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en concludeert dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. Het hogerberoepschrift bevat geen vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, noch roept het vragen op over Unierechtelijke bepalingen.

Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 20 mei 2026 door de voorzitter en leden van de Afdeling bestuursrechtspraak.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod worden bevestigd.

Uitspraak

BRS.26.000976
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 6 februari 2026 in zaak nr. NL25.40154 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, ingetrokken en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij besluit van 5 augustus 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. Š. Petković, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 19 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
941