Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2762

Raad van State

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
202504758/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening bestuursrechtelijke uitspraak Raad van State

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde een verzoek tot herziening van een uitspraak van 9 juli 2025, waarin het hoger beroep van verzoekster tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland was afgewezen. Verzoekster betoogde dat de Afdeling onjuist had geoordeeld en dat de raad onjuist had gehandeld, onder meer in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De Afdeling benadrukte dat herziening slechts mogelijk is op grond van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Dit zijn cumulatieve voorwaarden. Het verzoek tot herziening mag niet worden gebruikt om het debat te heropenen of reeds aangevoerde gronden opnieuw te presenteren.

Verzoekster stelde onder meer dat het dossier incompleet was, maar kon niet aantonen dat dit tot een andere uitspraak had kunnen leiden. De Afdeling concludeerde dat niet aan de voorwaarden van artikel 8:119 Awb Pro was voldaan en wees het verzoek af. Tevens werd bepaald dat de raad geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de bestuursrechtelijke uitspraak wordt afgewezen wegens niet voldoen aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119 Awb.

Uitspraak

202504758/1/A2.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoekster], wonend in [woonplaats],
verzoekster,
om herziening (artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, in zaak nr. 202305690/1/A2.
Procesverloop
Bij uitspraak van 9 juli 2025 in zaak nr. 202305690/1/A2 (ECLI:NL:RVS:2025:3137) heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoekster] tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 juli 2023 in zaak nr. 22/3166 ongegrond verklaard.
[verzoekster] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (de raad) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[verzoekster] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 april 2026, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. R.J. Skála, rechtsbijstandsverlener, en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.S.J. de Koning en mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:
"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden."
Aan deze drie criteria moet worden voldaan, wil een verzoek om herziening voor toewijzing in aanmerking komen. Deze criteria zijn cumulatief.
2.       Het bijzondere rechtsmiddel van herziening dient er niet toe om het geschil waarover bij uitspraak is beslist opnieuw aan de rechter voor te leggen en biedt een partij ook niet de mogelijkheid gronden die in een eerdere procedure naar voren zijn of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw, dan wel alsnog, naar voren te brengen en zo het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2455), is een vermeend onjuiste rechtsopvatting geen grond voor herziening, evenmin als een veronderstelde rechterlijke misslag ten aanzien van de gevolgde procedure of de vaststelling van de feiten.
3.       [verzoekster] is het niet eens met de uitspraak van de Afdeling waarvan zij om herziening vraagt. Zij vindt dat de Afdeling een onjuiste uitspraak heeft gedaan die voortbouwt op onjuist handelen door de raad. [verzoekster] voert daartoe onder meer aan dat de Afdeling in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met de wet heeft gehandeld. [verzoekster] probeert daarmee in feite het debat te heropenen dat met de uitspraak van de Afdeling is gesloten. De Afdeling zal daarom op die gronden niet ingaan.
4.       Voor wat [verzoekster] voor het overige aanvoert, geldt dat de enkele stelling dat het dossier in de procedure met zaak nr. 202305690/1/A2 niet compleet zou zijn, geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8:119 van Pro de Awb. [verzoekster] heeft bijvoorbeeld niet duidelijk gemaakt hoe de gestelde incompleetheid van het dossier tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden. Aangezien de voorwaarden van artikel 8:119 van Pro de Awb cumulatief zijn, kan het verzoek daarom al niet slagen.
5.       De Afdeling wijst het verzoek af.
6.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
284-1175