AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf in gezinshereniging
De zaak betreft een hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van betrokkenen tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf gegrond verklaarde. Betrokkenen, Syrische staatsburgers, vroegen om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging met hun meerderjarige zoon, die onder het jongvolwassenenbeleid valt.
De rechtbank oordeelde dat de minister een onjuist toetsingskader had gehanteerd en onvoldoende had gemotiveerd hoe hij de belangen van betrokkenen en de Nederlandse Staat had afgewogen. De minister erkende dit en nam een nieuw besluit op bezwaar, dat opnieuw werd afgewezen. In het hoger beroep klaagde de minister over enkele aspecten van de belangenafweging van de rechtbank, zoals de beoordeling van de afhankelijkheid van de zoon, de objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië voort te zetten en de rol van het eigen onderhoud van de zoon.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister terecht gewicht mag toekennen aan de feitelijke invulling van het gezinsleven en dat hij de belangen zorgvuldig heeft afgewogen, inclusief de objectieve belemmeringen en het feit dat de zoon niet in eigen onderhoud voorziet. De grief van de minister faalt echter omdat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden en verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit van de minister ongegrond.
Uitspraak
202401656/1/V2.
Datum uitspraak: 8 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 15 februari 2024 in zaak nr. NL23.13519 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 11 maart 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 5 april 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 4 april 2024 heeft de minister het tegen het besluit van 11 maart 2022 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Overwegingen
Inleiding
1. Referent is de meerderjarige zoon van betrokkenen en heeft namens hen een aanvraag ingediend om verlening van een mvv in het kader van gezinshereniging op grond van artikel 8 vanPro het EVRM. Allen hebben de Syrische nationaliteit. Referent is in januari 2020 op 19-jarige leeftijd Nederland ingereisd en heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Partijen zijn het erover eens dat op referent het jongvolwassenenbeleid van toepassing is zoals opgenomen in paragraaf B7/3.8.1. van de Vc 2000. Ook zijn zij het erover eens dat tussen referent en zijn ouders familie- en gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 vanPro het EVRM. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister niettemin de belangenafweging in het kader van dit artikel in het nadeel van betrokkenen heeft kunnen laten uitvallen.
Grief
2. In de inleiding van zijn enige grief geeft de minister aan dat hij niet opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat hij een onjuist toetsingskader heeft toegepast door te stellen dat, ondanks dat het jongvolwassenenbeleid van toepassing is, er sprake moet zijn van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan op hem een positieve verplichting rust om verblijf toe te staan aan betrokkenen. Ook berust hij in het oordeel dat uit het besluit onvoldoende blijkt hoe hij de verschillende belangen van betrokkenen in onderlinge samenhang heeft gewogen ten opzichte van die van de Nederlandse Staat. De minister erkent dat hij gelet hierop een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen. Bij besluit van 4 april 2024 heeft hij dat ook gedaan. Omdat de minister hiermee dus het dictum van de rechtbank erkent dat het beroep gegrond is, dat het besluit van 5 april 2023 vernietigd wordt en dat hij een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen, kan het hoger beroep alleen al hierom niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
2.1. De minister komt evenwel in deze grief op tegen andere overwegingen van de rechtbank in haar toetsing van de belangenafweging, waaraan volgens de minister onjuiste rechtsopvattingen ten grondslag liggen. De Afdeling stelt vast dat de minister daarom, ondanks dat zijn hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank kan leiden, procesbelang heeft. De minister klaagt dat de rechtbank bij haar toetsing van de belangenafweging ten onrechte heeft overwogen dat hij de afhankelijkheid van referent, die al voortvloeit uit de toepassing van het jongvolwassenheid, te sterk heeft gerelativeerd door te stellen dat het familie- en gezinsleven tussen referent en betrokkenen ook op afstand voortgezet kan worden. Verder klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat er een objectieve belemmering is om het familie- en gezinsleven in het land van herkomst uit te voeren. Tot slot klaagt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister niet kon tegenwerpen dat referent niet in zijn eigen levensonderhoud voorziet, omdat dit een contra-indicatie is voor de toepassing van het jongvolwassenenbeleid, en de minister dit beleid al van toepassing heeft geacht.
Beoordeling
3. Hoewel de rechtbank terecht heeft overwogen dat uit de toepassing van het jongvolwassenenbeleid volgt dat er sprake is van een zekere afhankelijkheid tussen referent en betrokkenen, voert de minister terecht aan dat dit niet wegneemt dat hij in zijn belangenafweging gewicht en betekenis mag toekennen aan de daadwerkelijke intensiteit en invulling van het familie- en gezinsleven. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, onder 3.4, en van 3 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2491, onder 3.3. Zoals de rechtbank ook heeft vastgesteld, heeft de minister zwaarwegend in het voordeel van betrokkenen meegewogen dat zij familie- en gezinsleven uitoefenen met referent. De minister heeft echter ook niet ten onrechte de feitelijke invulling en intensiteit van het familie- en gezinsleven beoordeeld, en in het kader daarvan onder meer vastgesteld dat betrokkenen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij en referent in medische en financiële zin afhankelijk van elkaar zijn, en dat voor zover referent hen nu steun op afstand geeft, deze steun ook in die vorm kan blijven plaatsvinden. Anders dan de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen, blijkt uit de belangenafweging van de minister dan ook niet dat hij, alleen al door tegen te werpen dat betrokkenen ook mogelijk hun familie- en gezinsleven met referent op afstand kunnen voortzetten, een te gering gewicht heeft toegekend aan de belangen van betrokkenen.
3.1. Ook slaagt het betoog van de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het bestaan van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven voort te zetten in het land van herkomst. De rechtbank, en betrokkenen in hun schriftelijke uiteenzetting, hebben in dit verband verwezen naar het arrest van EHRM van 9 juli 2021, M.A. tegen Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2021:0709JUD000669718. Hoewel uit dit arrest valt af te leiden dat de aanwezigheid van een objectieve belemmering van invloed kan zijn op de beoordelingsruimte die de minister heeft bij zijn belangenafweging, voert de minister terecht aan dat hieruit geen rechtsregel volgt die hem verplicht hier een doorslaggevend gewicht aan toe te kennen. De minister heeft in dit geval in zijn belangenafweging ook zwaar gewicht in het voordeel van betrokkenen toegekend aan het bestaan van de objectieve belemmering, maar dit niet ten onrechte afgewogen tegen de overige aspecten die in het nadeel van betrokkenen meewegen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, blijkt uit de belangenafweging als geheel niet dat de minister hier onvoldoende rekening mee heeft gehouden.
3.2. Tot slot is er geen grond voor het oordeel van de rechtbank dat de minister in zijn belangenafweging niet ten nadele van betrokkenen mocht meewegen dat referent niet in zijn eigen onderhoud voorziet, omdat dit een contra-indicatie is voor het jongvolwassenenbeleid. Omdat bij de vaststelling van familie- en gezinsleven en bij de daaropvolgende belangenafweging de context en inhoudelijke beoordeling verschillen, kan de minister in die belangenafweging een ander standpunt innemen over omstandigheden dan hij bij de vaststelling van familie- en gezinsleven op grond van het jongvolwassenenbeleid heeft gedaan. Zie de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, onder 3.3 en 3.4., en haar uitspraak van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912, onder 5.2.
3.3. De grief is terecht voorgedragen, maar kan, gelet op wat hierboven onder 2 is overwogen, niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Het hoger beroep roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie hoger beroep
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Het besluit van 4 april 2024
6. Het besluit van 4 april 2024 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 vanPro de Awb, in de beoordeling betrokken. De Afdeling heeft per aangetekende brief van 5 april 2024, per aangetekende brief van 15 augustus 2024 en per niet aangetekende brief van 3 oktober 2024 aan betrokkenen verzocht of zij zich kunnen verenigen met het besluit van 4 april 2024 en zo nee, of zij hier gronden tegen willen aanvoeren. Omdat hier geen reactie op is gekomen, is het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 4 april 2024, bij gebrek aan enige beroepsgronden, ongegrond.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. bevestigt de aangevallen uitspraak;
III. verklaart het beroep tegen het besluit van 4 april 2024, V-[…] en V-[…], ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.