ECLI:NL:RVS:2026:2640
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- J.Th. Drop
- J.M. Willems
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling ondanks tekortkoming minister in uitzettingshandelingen
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 3 maart 2026 in bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring ongegrond en wees tevens het verzoek om schadevergoeding af. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank had vastgesteld dat de minister tijdens de voorafgaande strafrechtelijke detentie van appellant geen uitzettingshandelingen had verricht, wat een schending van de inspanningsverplichting opleverde. Desondanks oordeelde de rechtbank dat deze tekortkoming niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring, omdat de ernst van het gebrek niet opwoog tegen de belangen die met de bewaring waren gediend.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank de minister in alle gevallen tot vergoeding van proceskosten had moeten veroordelen. De Afdeling verwierp dit standpunt en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat geen proceskostenvergoeding toekomt indien het beroep ongegrond wordt verklaard, ook al is er een schending van de inspanningsverplichting. Verder oordeelde de Afdeling dat er geen aanleiding was om de bewaring onrechtmatig te achten en bevestigde zij het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de minister werd niet veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De bewaring van appellant wordt bevestigd ondanks een tekortkoming van de minister, en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.