ECLI:NL:RVS:2025:2131
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake bewaring vreemdeling wegens proceskostenveroordeling
Appellant werd bij besluit van 26 december 2024 door de minister van Asiel en Migratie in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak constateerde dat de minister heeft gehandeld in strijd met haar inspanningsverplichting om bewaring na strafrechtelijke detentie te voorkomen, maar dat dit niet automatisch de bewaring onrechtmatig maakt. De belangenafweging van de rechtbank, die uitviel in het voordeel van de minister, werd deels bekritiseerd omdat zij een hypothetische situatie betrok die niet relevant was.
De minister had tussen 2 en 26 december 2024 geen uitzettingshandelingen verricht vanwege onduidelijkheid over de detentieduur, maar startte deze na 20 december 2024. De Afdeling oordeelde dat de schending van de inspanningsverplichting beperkt was tot zeven dagen en dat de belangenafweging terecht in het voordeel van de minister uitviel gezien de omstandigheden van appellant.
Wel werd geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling had uitgesproken. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis voor zover het naliet de minister te veroordelen tot proceskostenvergoeding en bevestigde het vonnis voor het overige. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van € 3.174,50 aan proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, met bevestiging van de bewaring.