ECLI:NL:RVS:2026:2515
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht in asielprocedure
Verzoeker heeft bij besluit van 5 februari 2026 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke niet in behandeling is genomen door de minister van Asiel en Migratie. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank, dat op 14 april 2026 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat eveneens ongegrond werd verklaard op 1 mei 2026.
Op 30 april 2026 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht en verzocht om een voorlopige voorziening om de overdracht te schorsen totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft dit verzoek behandeld.
De voorzieningenrechter overweegt dat, gelet op eerdere uitspraken en de aangevoerde gronden, geen reden bestaat om de rechtmatigheid van de voorgenomen overdracht te betwijfelen. Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tevens hoeft de minister geen proceskosten te vergoeden.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M.C. Stoové, in aanwezigheid van griffier N. Tibold, en uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overdracht in de asielprocedure is afgewezen.