202400046/1/V1.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 december 2023 in zaak nr. NL23.8983 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 25 april 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van betrokkene om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 15 augustus 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 5 december 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E.E.M. Bezem, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 16 augustus 2024 heeft de minister het bezwaar van betrokkene alsnog gegrond verklaard en de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf ingewilligd.
Betrokkene heeft daar op verzoek van de Afdeling op gereageerd en een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. De minister heeft de aanvraag van betrokkene om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor haar minderjarige pleegdochter afgewezen. Betrokkene heeft hiertegen op 21 mei 2023 bezwaar gemaakt en toegezegd de gronden daarbij zo spoedig mogelijk te zullen toezenden. Bij brief van 31 mei 2023 heeft de minister de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en betrokkene verzocht om de bezwaargronden binnen twee weken op te sturen. Zij heeft daarbij medegedeeld dat zij het bezwaar anders niet-ontvankelijk kan verklaren. Betrokkene heeft geen bezwaargronden ingediend en de minister heeft op 15 augustus 2023 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. In hoger beroep staat niet meer ter discussie dat betrokkene haar bezwaargronden niet op tijd heeft ingediend en dat de termijnoverschrijding in bezwaar niet verschoonbaar is.
1.1. De rechtbank heeft overwogen dat de minister in dit geval niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij, ondanks dat betrokkene het verzuim niet heeft hersteld, in redelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar kon overgaan, omdat de minister bij haar besluit niet de rechtstreeks bij dat besluit betrokken belangen heeft afgewogen. De rechtbank heeft hierbij van belang geacht dat betrokkene al bij haar aanvraag heeft laten weten dat het om een schrijnende situatie gaat, de minister voordat zij een besluit op de aanvraag had genomen de maximale bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd, betrokkene verder altijd tijdig op de correspondentie van de minister heeft gereageerd en het indienen van een nieuwe aanvraag ten koste gaat van een snelle inhoudelijke behandeling van de zaak.
Hoger beroep
2. De minister klaagt in haar eerste grief tevergeefs over het oordeel van de rechtbank dat de minister de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen voordat zij overgaat tot een eventuele niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Volgens de minister is zij hiertoe niet gehouden. Artikel 6:6 van de Awb bevat een discretionaire bevoegdheid voor de minister om een bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren als een bezwaarschrift niet voldoet aan de in artikel 6:5 van de Awb neergelegde vereisten of aan enig ander bij wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar. Zoals valt af te leiden uit de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2661, onder 3 en 3.1, moet de minister bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid om een bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren in het kader van een evenredigheidsbeoordeling als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, een belangenafweging maken voordat zij overgaat tot niet-ontvankelijkverklaring. Dat heeft de minister in dit geval niet gedaan. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij in dit geval in redelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar kon overgaan. De grief slaagt niet.
3. De minister klaagt in haar tweede grief wel terecht over de omstandigheden die de rechtbank heeft betrokken bij haar oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zij in redelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar kon overgaan.
Uit eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, onder 3.1, volgt dat in de belangenafweging op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb bij een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar, slechts enerzijds het belang van een goed verloop van de procedure en anderzijds bijzondere omstandigheden aan de zijde van de indiener in relatie tot het verzuim een rol kunnen spelen. Hierbij kan gedacht worden aan de termijn die de minister op grond van artikel 6:6 van de Awb biedt om het verzuim te herstellen, of de manier waarop zij is omgegaan met een verzoek om uitstel. Daaronder vallen geen omstandigheden die verband houden met de inhoud van de zaak.
De omstandigheid dat het gaat om een tweepartijenverhouding, zoals in voorliggende zaak, zodat het minder voor de hand ligt dat anderen zullen worden benadeeld als de minister niet vasthoudt aan de termijnen, maakt op zichzelf niet dat de belangenafweging in het voordeel van de indiener van het bezwaarschrift moet uitvallen. De minister wijst er namelijk terecht op dat ook de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid in algemene zin moeten worden betrokken bij het niet-ontvankelijk verklaren van een bezwaar.
3.1. De minister voert verder terecht aan dat de omstandigheid dat betrokkene bij de aanvraag heeft laten weten dat het, gezien de schrijnende omstandigheden van de zaak, wenselijk is dat de minister haar aanvraag snel beoordeelt, geen omstandigheid is die zij bij haar belangenafweging hoeft te betrekken. Hoewel de Afdeling het verzoek om een snelle beoordeling kan begrijpen, heeft de schrijnendheid geen relatie tot het verzuim van betrokkene, maar gaat die over de inhoud van de zaak. Ook het gegeven dat de minister in de aanvraagfase niet tijdig een besluit heeft genomen op de aanvraag van betrokkene, is, hoe vervelend dit ook voor betrokkene is, geen gegeven dat de minister bij haar belangenafweging hoeft te betrekken. Dat betrokkene verder, behoudens op de herstelverzuimbrief, altijd tijdig op de correspondentie van de minister heeft gereageerd, geen termijnen heeft gemist en de minister dit niet heeft weersproken, zijn ten slotte ook geen omstandigheden die een rol spelen bij eerdergenoemde belangenafweging. De Afdeling heeft oog voor de correcte proceshouding van betrokkene, maar als zodanig houden ook deze omstandigheden geen verband met het specifieke verzuim van betrokkene. Het beoordelingskader als verwoord onder 3, biedt geen mogelijkheid om die omstandigheden alsnog te betrekken bij de belangenafweging.
3.2. Hoewel de minister haar klacht terecht heeft voorgedragen, leidt de tweede grief niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
Conclusie hoger beroep
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Het besluit van 16 augustus 2024
5. De minister heeft in haar hogerberoepschrift laten weten dat zij hangende haar hoger beroep het bezwaar van betrokkene inhoudelijk zal beoordelen. Met het besluit van 16 augustus 2024 heeft de minister hieraan uitvoering gegeven. Zij heeft het bezwaar van betrokkene alsnog gegrond verklaard en de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen ingewilligd. Betrokkene heeft hierop, daartoe door de Afdeling in de gelegenheid gesteld, laten weten dat zij zich in het besluit kan vinden. Er is daarom geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
977