Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2474

Raad van State

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
202407321/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens gegronde vrees vervolging in Iran

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 14 november 2023 opnieuw werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond in haar uitspraak van 20 november 2024. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran een gegronde vrees voor vervolging heeft. Uit recente jurisprudentie volgt dat de situatie van afvalligen en atheïsten in Iran niet eenduidig is en dat de minister niet zonder nader onderzoek mag aannemen dat er geen vervolgingsgevaar bestaat. Het betoog van appellant over het risico van vervolging wegens zijn afvalligheid slaagt dan ook.

De Afdeling ziet geen noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU. Een aanvullende grief over vermeende betrokkenheid bij de Peshmerga leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het besluit van 14 november 2023 en de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.

Uitspraak

202407321/1/V2.
Datum uitspraak: 30 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant]
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 november 2024 in zaak nr. NL23.38862 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
Bij uitspraak van 20 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. L.M. Weber, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran een gegronde vrees heeft voor vervolging.
1.1.    In de uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten. Dat geldt ook voor vreemdelingen die deze overtuigingen in beginsel terughoudend uiten. De minister kan zich daarom niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat zij geen gegronde vrees hebben voor vervolging. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van appellant over het risico dat hij loopt door zijn afvalligheid bij terugkeer naar Iran, slaagt. En daarmee slaagt de tweede grief.
2.       Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag in de eerste grief over het verlangen van terughoudendheid vooralsnog niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
3.       De derde grief uit het aanvullende stuk van 17 december 2024 over de gestelde toegedichte betrokkenheid bij Peshmerga leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept deze grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
4.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 14 november 2023. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 november 2024 in zaak nr. NL23.38862;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 14 november 2023, V-[…];
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026
986