Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2368

Raad van State

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
202504787/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 13 Richtlijn tijdelijke bescherming (2001/55/EG)Artikel 6:19 Algemene wet bestuursrechtArtikel 2 Regeling opvang ontheemden OekraïneArtikel 6 Regeling opvang ontheemden OekraïneArtikel 7 Regeling opvang ontheemden Oekraïne
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering opvang ontheemden Oekraïne door gemeente Overbetuwe

Appellanten, ontheemden uit Oekraïne met de Marokkaanse nationaliteit, verbleven in de gemeentelijke opvang in Overbetuwe totdat zij deze op 2 maart 2024 verlieten vanwege het vermeende einde van hun tijdelijke beschermingsstatus. Na een verzoek tot heropname en daaropvolgende weigering door het college, werd hen vanaf 12 juni 2024 weer opvang geboden na een voorlopige voorziening van de voorzieningenrechter.

Het college erkende dat de opvang ten onrechte vanaf 4 april 2024 was beëindigd en kende een schadevergoeding toe voor de periode van 4 april tot 12 juni 2024. Appellanten stelden dat zij ook recht hadden op opvang en vergoeding voor de periode vanaf 2 maart 2024, en dat het college de rijksbijdrage op grond van de Bekostigingsregeling aan hen moest uitkeren.

De Afdeling oordeelde dat het college geen besluit had genomen dat de opvang vóór 4 april 2024 was beëindigd en dat het recht op opvang in die periode bleef bestaan. De verwijdering uit een WhatsAppgroep en communicatiebeperkingen waren geen beëindiging van het recht op opvang. Verder biedt de Bekostigingsregeling geen grondslag voor directe uitkering aan ontheemden. De schadevergoeding die het college toekende was passend en voldoende.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

202504787/1/V1.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 12 augustus 2025 in zaak nr. 24/9118 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe.
Procesverloop
Bij besluit van 17 mei 2024 heeft het college geweigerd [appellant A] en [appellant B] opvang te verlenen in de opvangvoorziening voor ontheemden uit Oekraïne in Zetten, gemeente Overbetuwe.
Bij besluit van 4 september 2024 heeft het college het besluit van 17 mei 2024 gewijzigd.
Bij besluit van 27 november 2024 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] tegen die besluiten gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover dat was gericht tegen het besluit van 17 mei 2024, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.
Bij besluit van 9 december 2024 heeft het college aan [appellant A] en [appellant B] een schadevergoeding van € 2.437,36 toegekend voor de kosten van huisvesting over de periode van 4 april 2024 tot 12 juni 2024.
Bij uitspraak van 12 augustus 2025 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] tegen de besluiten van 27 november en 9 december 2024 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 maart 2026, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. L.A. Fischer, advocaat in Assen, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Pfeiffer en I. Izly, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant A] en [appellant B] hebben de Marokkaanse nationaliteit en zijn na de Russische invasie van Oekraïne in 2022 uit Oekraïne gevlucht. Zij verbleven op grond van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (de Regeling) in de gemeentelijke opvang voor ontheemden uit Oekraïne van de gemeente Overbetuwe in Zetten totdat zij op 2 maart 2024 de opvang hebben verlaten, omdat de tijdelijke bescherming voor derdelanders afkomstig uit Oekraïne zou stoppen.
1.1.    Op 2 april 2024 hebben [appellant A] en [appellant B] het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe verzocht om hen opnieuw toe te laten tot de gemeentelijke opvang, nadat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had besloten de beëindiging van de tijdelijke bescherming voor derdelanders op te schorten in afwachting van een uitspraak van de Afdeling. Het college heeft dit verzoek bij besluiten van 4 april 2024 en 17 mei 2024 afgewezen. Op 20 juni 2024 hebben [appellant A] en [appellant B] daartegen bezwaar gemaakt. Ook hebben zij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 6 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de burgemeester met ingang van 12 juni 2024 zorg moet dragen voor de opvang van [appellant A] en [appellant B]. Vanaf die datum hebben zij ook weer feitelijk opvang gekregen.
Het college heeft [appellant A] en [appellant B] daarnaast een schadevergoeding toegekend voor de periode van 4 april tot 12 juni 2024, omdat het van oordeel is dat het hun in die periode ten onrechte opvang heeft onthouden.
2.       Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Hoger beroep
Moment van beëindiging van de verstrekkingen
3.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of het college de verstrekkingen per 4 april 2024 mocht beëindigen en ten onrechte heeft geoordeeld dat het college geen beëindigingsbesluit had moeten nemen. Volgens hen mocht het college de verstrekkingen niet per 4 april 2024 beëindigen, omdat hun vertrek op 2 maart 2024 niet onaangekondigd was en zij het college al op 6 maart 2024 hadden laten weten te willen terugkeren naar de opvanglocatie in Zetten. Zij betogen dat zij daarom niet alleen vanaf 4 april 2024, maar ook in de daaraan voorafgaande periode, onafgebroken recht op opvang hadden.
3.1.    Anders dan [appellant A] en [appellant B] betogen, hoefde de rechtbank niet te toetsen of de beëindiging van de opvang per 4 april 2024 rechtmatig was. Het college heeft namelijk, zoals [appellant A] en [appellant B] ook aanvoeren, bij het besluit van 4 september 2024 al erkend dat het college bij het besluit van 4 april 2024 ten onrechte de opvang vanaf die dag had beëindigd en dat zij vanaf die dag recht op opvang hadden.
3.2.    Ook in de periode vanaf het feitelijk vertrek uit de opvang op 2 maart 2024 tot 4 april 2024 hadden [appellant A] en [appellant B] recht op opvang. Met hun feitelijk vertrek was dat recht niet beëindigd en in die periode heeft het college ook geen besluit genomen waaruit volgt dat de opvang was beëindigd. [appellant A] en [appellant B] betogen weliswaar dat het college al op 11 of 12 maart 2024 had besloten om hen niet meer toe te laten tot de opvang, maar dat betoog volgt de Afdeling niet. Op de zitting heeft de locatiemanager van de noodopvang in de gemeente Overbetuwe verklaard dat de verwijdering van [appellant A] en [appellant B] uit de WhatsAppgroep van de opvanglocatie op 11 maart 2024 het gevolg was van een onprettige dynamiek in hun communicatie met andere bewoners. Het college heeft daarvoor op 21 december 2024 excuses aangeboden, omdat deze verwijdering niet vooraf met hen was besproken. Zoals het college in hoger beroep naar voren brengt en de locatiemanager ook op de zitting heeft verklaard, staat deze verwijdering los van hun recht op opvang. Uit de besluitvorming blijkt ook niet dat het college de opvang van [appellant A] en [appellant B] al op 11 of 12 maart 2024 heeft beëindigd en uit de communicatie in de WhatsAppgroep hadden [appellant A] en [appellant B] dat ook niet kunnen opmaken. Hetzelfde geldt voor het bericht van 12 maart 2024 waarin de locatiemanager hun heeft verzocht alleen nog per e-mail met de gemeente te communiceren. Anders dan [appellant A] en [appellant B] betogen, leidt de Afdeling uit deze handelingen voorafgaand aan het besluit van 4 april 2024 niet af dat het college de verstrekkingen al eerder heeft beëindigd. Dat [appellant A] en [appellant B] in deze periode geen gebruik hebben gemaakt van hun recht op opvang en zelf kosten hebben gemaakt, betekent ook niet dat hun recht op opvang was beëindigd. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat geen grond bestaat voor vergoeding van gemaakte kosten in de periode voor 4 april 2024.
3.3.    De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Uitkering van een bedrag op grond van de Bekostigingsregeling
4.       [appellant A] en [appellant B] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen grondslag bestaat voor het aan hen uitkeren van de rijksbijdrage die het college ontvangt op grond van de Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne (de Bekostigingsregeling) over de periode waarin het college hun geen opvang heeft geboden. Daarover betogen zij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de grondslag daarvoor volgt uit artikel 13, eerste lid, van de Richtlijn tijdelijke bescherming, in samenhang gelezen met artikel 2, eerste lid, van de Regeling. [appellant A] en [appellant B] wijzen erop dat de Regeling niet uitsluit dat het college ontheemden middelen ter beschikking stelt om zelf in huisvesting te voorzien. Volgens hen moet dit worden gelijkgesteld met een gerealiseerde opvangplek in de zin van de Bekostigingsregeling, waarvoor het college een vastgestelde dagelijkse vergoeding van het Rijk ontvangt. Dat bedrag staat volgens hen ook meer in verhouding tot de kosten die zij hebben gemaakt doordat zij geen verstrekkingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling hebben ontvangen. Zij verzoeken de Afdeling daarom om te bepalen dat het college het bedrag dat het op grond van de Bekostigingsregeling zou hebben ontvangen over deze periode aan hen uitkeert, onder verrekening van de door het college al toegekende schadevergoeding.
4.1.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, biedt de Bekostigingsregeling geen grondslag voor het uitkeren van de rijksbijdrage aan [appellant A] en [appellant B]. De Bekostigingsregeling voorziet namelijk in een regeling voor het verstrekken van financiële middelen aan gemeenten om de opvang van ontheemden te bekostigen en bevat geen grondslag voor het college om deze bijdrage rechtstreeks aan ontheemden uit te keren. Ook kunnen ontheemden aan de Bekostigingsregeling geen aanspraak ontlenen op uitbetaling van deze bijdrage als zij een bepaalde periode feitelijk geen opvang hebben genoten, terwijl zij wel recht op opvang hadden.
De verwijzing naar artikel 13 van Pro de Richtlijn tijdelijke bescherming leidt niet tot een ander oordeel. Uit dit artikel volgt dat de lidstaten zorgen voor de opvang van ontheemden, of aan hen, in voorkomend geval, middelen ter beschikking stellen om huisvesting te vinden. Deze bepaling is voor ontheemden uit Oekraïne geïmplementeerd in de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne en de Regeling. De Richtlijn tijdelijke bescherming, de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne en de Regeling bieden geen grondslag voor een recht op een uitkering in geld. Dat [appellant A] en [appellant B] als ontheemden uit Oekraïne recht op opvang hadden en dat het college gehouden was hun die opvang te bieden, staat los van de wijze waarop het Rijk richting de gemeente Overbetuwe in de bekostiging daarvan voorziet.
In de periode dat het college hun onterecht opvang heeft onthouden, vanaf 4 april 2024 tot 12 juni 2024, hebben zij wel schade geleden. Dit betekent dat zij in aanmerking komen voor vergoeding van de schade die zij hebben geleden. Het college heeft deze schade al vergoed bij het besluit van 9 december 2024, waarbij het college een vergoeding heeft toegekend voor de met stukken onderbouwde huisvestingskosten die [appellant A] en [appellant B] hebben gemaakt over de periode van 4 april 2024 tot 12 juni 2024. [appellant A] en [appellant B] klagen in hoger beroep niet over de hoogte van de schadevergoeding en hebben dat op de zitting ook nog bevestigd.
4.2.    De hogerberoepsgrond slaagt niet.
5.       Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2024, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
6.1.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
941-1151
BIJLAGE
Richtlijn tijdelijke bescherming (2001/55/EG)
Artikel 13
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de begunstigden van tijdelijke bescherming een fatsoenlijk onderkomen krijgen of, in voorkomend geval, middelen te hunner beschikking krijgen om huisvesting te vinden.
[…]
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:19
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
Regeling opvang ontheemden Oekraïne
Artikel 2
1. De burgemeester draagt zorg voor de opvang van ontheemden. De in de eerste volzin bedoelde taak is niet van toepassing op alleenstaande minderjarige ontheemden.
[…]
Artikel 6
1. De opvang omvat in elk geval de volgende verstrekkingen:
a. onderdak in opvangvoorzieningen die een toereikend huisvestingsniveau bieden;
b. een maandelijkse financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven, tenzij de ontheemde inkomsten uit arbeid heeft;
c. recreatieve en educatieve activiteiten;
d. een verzekering tegen de financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid; en
e. betaling van buitengewone kosten.
[…]
Artikel 7
1. De burgemeester kan de verstrekkingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, beperken of intrekken indien:
[…]
b. de ontheemde de opvang definitief verlaat of gedurende een periode van 28 dagen niet in de opvang is verschenen zonder de burgemeester hiervan op de hoogte te stellen;
[…]