ECLI:NL:RVS:2026:2285
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen huisverbod burgemeester Rotterdam wegens vermoedens huiselijk geweld
Op 7 juni 2024 legde de burgemeester van Rotterdam aan appellant een huisverbod op voor tien dagen, verlengd met achttien dagen, naar aanleiding van een incident waarbij vermoedelijk huiselijk geweld plaatsvond in de woning van appellant's partner. De politie constateerde zichtbaar letsel bij de partner en hield appellant aan. Eerder waren ook incidenten in 2019, 2021 en 2022 gemeld.
De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen van appellant tegen het huisverbod ongegrond, oordeelde dat er een ernstig vermoeden van gevaar was en dat het huisverbod noodzakelijk was ter bescherming van de partner. Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet strafrechtelijk veroordeeld was en dat de motivering van het huisverbod gebrekkig was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat een strafrechtelijke veroordeling niet vereist is voor het opleggen van een huisverbod en dat de motiveringsgebreken niet tot vernietiging van het besluit leiden. Wel stelde de Afdeling vast dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding toekende ondanks het passeren van motiveringsgebreken, en veroordeelde de burgemeester tot vergoeding van de proceskosten. Voor het overige werd het vonnis van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het huisverbod wordt bevestigd, maar de burgemeester wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.