ECLI:NL:RVS:2026:2267
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen wegens tewerkstelling zonder vergunning
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde [wederpartij] een boete van €12.000 op wegens het laten werken van een persoon zonder tewerkstellingsvergunning, in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank Gelderland matigde de boete tot €6.000 vanwege verminderd verwijtbaar handelen, omdat [wederpartij] de overtreding zelf had gemeld en beëindigd.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat [wederpartij] ernstig nalatig en onzorgvuldig had gehandeld, gezien haar status als gecertificeerd uitzendbureau en eerdere overtredingen. De Raad van State oordeelde dat hoewel [wederpartij] ernstig onzorgvuldig was door onvoldoende controle van het identiteitsbewijs, de minister terecht uitging van normale verwijtbaarheid vanwege de zelfmelding en beëindiging van de overtreding.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de minister gegrond, waardoor de boete van €12.000 gehandhaafd blijft. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State handhaaft de boete van €12.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen.