ECLI:NL:RVS:2026:224

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
202401310/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen omgevingsvergunning voor bedrijfsgebouw in Gemert-Bakel

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, die zijn beroep tegen de verleende omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel ongegrond heeft verklaard. De omgevingsvergunning, verleend op 8 februari 2022, betreft de bouw van een bedrijfsgebouw ter vervanging van stallen op de locatie Handelsesteeg 30 in Gemert. De locatie heeft de enkelbestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' volgens het bestemmingsplan 'Gemert-Bakel Buitengebied 2017'. Het bouwplan overschrijdt echter de toegestane maximale goothoogte en afstand tussen gebouwen. Het college heeft de vergunning verleend met voorwaarden, waaronder de uitvoering van een erfinrichtingsplan. [appellant] is het niet eens met deze vergunning en heeft bezwaar gemaakt, wat door het college is afgewezen. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard, waarna hij in hoger beroep is gegaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak behandeld op 7 november 2025. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college [appellant] niet de gelegenheid hoefde te geven om te reageren op het aangepaste erfinrichtingsplan. Ook wordt geoordeeld dat het gebruik van de bedrijfshal passend is binnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202401310/1/R2.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Gemert, gemeente Gemert-Bakel,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 19 januari 2024 in zaak nr. 23/277 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel.
Procesverloop
Bij besluit van 8 februari 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsgebouw ter vervanging van stallen op de locatie Handelsesteeg 30 in Gemert.
Bij besluit van 6 december 2022 heeft het college, naar aanleiding van het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, het besluit van 8 februari 2022 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Bij uitspraak van 19 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.R. Jansen, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door A.H.J.P. Albers en mr. P. Fermont, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Ton Ton Buxus, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 oktober 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Bij het besluit van 8 februari 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsgebouw ter vervanging van stallen op de locatie Handelsesteeg 30 in Gemert. De locatie heeft ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied 2017" de enkelbestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf". Het bouwplan is niet passend binnen het bestemmingsplan, omdat de toegestane maximale goothoogte van 4,5 m wordt overschreden met 0,45 m en de toegestane maximale afstand tussen gebouwen van 15 m wordt overschreden met 16 m. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1o, van de Wabo, in samenhang met artikel 4.3.6 en artikel 32.13 van de planregels, met als voorwaarde dat het erfinrichtingsplan uiterlijk op 1 maart 2023 moet zijn uitgevoerd en vervolgens in stand wordt gehouden. Het bedrijfsgebouw is inmiddels gebouwd.
[appellant] woont aan de [locatie]. Hij is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank heeft zijn beroep ongegrond verklaard.
Gronden van het hoger beroep
3.       [appellant] betoogt dat hem in de bezwaarprocedure ten onrechte de mogelijkheid is onthouden om nog te reageren op het aangepaste erfinrichtingsplan en de beoordeling van de landschapsdeskundige. Volgens [appellant] volstaat een haag van 3 m in dit geval niet.
3.1.    Artikel 7:9 van de Awb luidt: "Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord."
3.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college [appellant] niet alsnog moest laten reageren of moest horen over het aangepaste erfinrichtingsplan. Zoals de rechtbank heeft overwogen is bij de ruimtelijke onderbouwing die ten grondslag ligt aan de vergunningverlening bij het besluit van 8 februari 2022 en die is opgesteld door Casper Kalb Projectaandrijving, een erfinrichtingsplan als bijlage gevoegd. In de bezwaarprocedure is dit erfinrichtingsplan maar beperkt aangepast, in de zin dat daar aan de oostzijde van het perceel alleen een haag met een minimale hoogte van 3 m aan is toegevoegd. Het college heeft zijn besluit op bezwaar gebaseerd op dit aangepaste erfinrichtingsplan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat dit aangepaste erfinrichtingsplan geen geheel nieuw advies is maar slechts op één punt is aangepast ten opzichte van het eerste erfinrichtingsplan. Gelet daarop is geen sprake van een na het horen aan het bestuursorgaan bekend geworden feit als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb dat voor het op bezwaar te nemen besluit van aanmerkelijk belang kan zijn. Ook anderszins was er voor het college geen aanleiding [appellant] nog te laten reageren op het aangepaste erfinrichtingsplan.
Het betoog slaagt niet.
4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat op het perceel van de Handelsesteeg 30 geen agrarische bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, zodat het bouwplan niet passend is binnen de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" die op het perceel rust. Volgens [appellant] worden op het perceel alleen buxusplanten verwerkt en verpakt en landbouwwerktuigen gestald en is er geen sprake van het telen van gewassen.
4.1.    De gronden waarop het bouwplan is voorzien hebben de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". Ingevolge artikel 4.1 van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:
a. de uitoefening van een (vollegronds) teeltbedrijf, of;
b. de uitoefening van een overig agrarisch bedrijf, of;
[…]".
Ingevolge artikel 1.13 wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan: "Een inrichting die tot een, krachtens artikel 1.1, derde lid, Wet milieubeheer, aangewezen categorie behoort en die is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of door het houden van dieren, zijnde: een (vollegronds)teeltbedrijf, een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf of een overig agrarisch bedrijf."
Ingevolge artikel 1.167 wordt onder een (vollegronds) teeltbedrijf verstaan:
"Een agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt."
4.2.    Uit de stukken, in het bijzonder de bij het besluit op bezwaar gegeven toelichting op de bedrijfsactiviteiten, blijkt dat het bedrijf zich bezighoudt met het opkweken en verhandelen van buxusplanten. In de toelichting op de bedrijfsactiviteiten staat dat het bedrijf zich concentreert op de activiteiten rooien, snoeien/maaien, oppotten, poten/aanplanten in de volle grond, gereedmaken voor verkoop en onkruid vrijhouden van percelen. Vergunninghouder heeft op de zitting toegelicht dat hij ongeveer 30 ha vollegrond heeft waar de buxusplanten worden gekweekt. Op het perceel bevinden zich containervelden waar de planten worden opgepot en gekiemd. In de bedrijfshal worden de planten voor aanplant gereed gemaakt en uiteindelijk gesnoeid, onkruidvrij gemaakt en verzendklaar gemaakt voor verkoop. Er is ter plaatse een dagelijkse handelsvoorraad aanwezig en het bedrijfsgebouw dient ook als machineberging. Ten aanzien van de machineberging heeft het college toegelicht dat deze noodzakelijk is ter ondersteuning van de dagelijkse werkzaamheden om de teelt te kunnen uitvoeren.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het gebruik van de bedrijfshal passend is binnen de bestemmingsomschrijving "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". Dat bepaalde activiteiten die in de bedrijfshal plaatsvinden op zichzelf bezien niet grondgebonden zijn en zouden kunnen worden uitbesteed aan een ander, niet agrarisch, bedrijf, of op een andere locatie zouden kunnen worden verricht, zoals [appellant] aanvoert, betekent nog niet dat die activiteiten geen onderdeel kunnen uitmaken van een agrarisch bedrijf. Er is namelijk al sprake van een (vollegronds) teeltbedrijf als bedoeld in het bestemmingsplan als de bedrijfsvoering in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Daarvan is in dit geval sprake. De elders in de volle grond gekweekte buxusplanten worden in de nieuwe bedrijfshal onder meer gesnoeid en gereedgemaakt voor verkoop. Die activiteiten vloeien rechtstreeks voort uit de eigen buxusteelt op volle grond en zijn een (ondergeschikt) deel van dat proces.
Het betoog slaagt niet.
5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet ruimtelijk aanvaardbaar is en niet passend is binnen de uitgangspunten van het Beeldkwaliteitsplan buitengebied van de gemeente Gemert-Bakel. Volgens [appellant] is onduidelijk waarom een haag van 3 m de hogere goothoogte en de afstand tussen de bedrijfsgebouwen ruimtelijk gezien rechtvaardigt.
5.1.    In het erfinrichtingsplan, dat volgens de omgevingsvergunning uiterlijk op 1 maart 2023 moet zijn uitgevoerd en vervolgens in stand moet worden gehouden, wordt aan de westzijde van het perceel voorzien in een struweel van struikvormers en, ter hoogte van de achterliggende containervelden, in een robuuste groene zone in de vorm van een kleinschalig boscomplex. Samen met de bestaande kleinschalige landschapselementen aan de oostzijde van het perceel ontstaat zo een versterking van landschap en zichtlijnen. In het in bezwaar aangepaste erfinrichtingsplan wordt aan de oostzijde van het perceel, aan de zijde van de woning van [appellant], daarnaast nog voorzien in een beukenhaag met een minimale hoogte van 3 m. Het college heeft in het besluit op bezwaar aangegeven dat deze haag passend is bij een tuinbouwbedrijf en in het landschap en hoog genoeg is om het zicht op de loods te verzachten. Verder volgt uit het erfinrichtingsplan volgens het college ook dat de grotere afstand tussen de bedrijfsgebouwen passend blijft binnen de uitgangspunten van het Beeldkwaliteitsplan en dat het bouwplan dan ook ruimtelijk aanvaardbaar is. [appellant] heeft niet gemotiveerd met welke uitgangspunten van het Beeldkwaliteitsplan het bouwplan in strijd is. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat het bouwplan niet ruimtelijk aanvaardbaar is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Engelen, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Engelen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
842