ECLI:NL:RVS:2026:221

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
202400146/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake uitschrijving uit de basisregistratie personen door het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 december 2023. De rechtbank had geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten [appellant] op 2 januari 2019 terecht uit de basisregistratie personen (brp) had uitgeschreven. Dit besluit volgde op een e-mail van [appellant] van 7 oktober 2018, waarin hij meedeelde dat hij per 28 september 2018 niet meer op zijn adres in Cadier en Keer woonde. Het college had [appellant] gevraagd naar zijn nieuwe woon- of verblijfplaats, maar hij had hier geen gehoor aan gegeven. De rechtbank concludeerde dat het college zich terecht op het standpunt had gesteld dat [appellant] geen verblijfplaats als bedoeld in de Wet brp kenbaar had gemaakt. Het college had ook geen aangifte van adreswijziging of vertrek ontvangen. De rechtbank oordeelde dat het college een gedegen onderzoek had verricht naar het verblijf van [appellant]. In hoger beroep herhaalde [appellant] zijn eerdere argumenten, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het college terecht had gehandeld. De Afdeling benadrukte dat de Wet brp dwingend voorschrijft dat de bijhoudingsgemeente zorgdraagt voor uitschrijving indien een ingezetene niet kan worden bereikt en geen aangifte van wijziging van adres of vertrek is ontvangen. De Afdeling concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die aanleiding gaven tot contra-legemtoepassing van de wet.

Uitspraak

202400146/1/A3.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]), wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 december 2023 in zaak nr. 21/1592 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten.
Procesverloop
Bij besluit van 2 januari 2019 heeft het college [appellant] op 8 november 2018 uitgeschreven uit de basisregistratie personen (hierna: brp).
Bij besluit van 9 juni 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 december 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 juli 2025, waar [appellant A], bijgestaan door mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat in Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.R.P. Bastiaans, advocaat in Maastricht, en S. Lucassen en C. Frijns-Warnaar, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] stond ingeschreven op het adres [locatie] in Cadier en Keer (hierna: adres). Bij e-mail van 7 oktober 2018 heeft [appellant] aan het college meegedeeld dat hij per 28 september 2018 niet meer op dit adres woont. Met het besluit van 2 januari 2019 heeft het college [appellant] op grond van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) uit de brp uitgeschreven. Met het besluit van 9 juni 2021 is het hier bij gebleven.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat vaststaat dat het college [appellant] naar zijn nieuwe woon- of verblijfplaats heeft gevraagd. Omdat [appellant] hier geen gehoor aan heeft gegeven, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant], desgevraagd, geen verblijfplaats als bedoeld in de Wet brp kenbaar heeft willen maken. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is geweest van aangifte van adreswijziging en/of vertrek.
3.       De rechtbank overweegt verder dat in dit geval [appellant] in zijn brief/e-mail aan het college van 7 oktober 2018 slechts heeft vermeld: "thans verblijvend in vakantieparken". Het was voor het college niet mogelijk om na te gaan op welk vakantiepark [appellant] precies verbleef. Ook in Suwinet heeft het college geen ander woon- of verblijfadres van [appellant] kunnen achterhalen. Bovendien heeft een toezichthouder, zonder resultaat, de woning bezocht en navraag gedaan bij de verhuurder/eigenaar van de woning aan de [locatie]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college een gedegen/degelijk onderzoek heeft verricht naar het verblijf van [appellant] in overeenstemming met het Protocol adresonderzoek brp. Tot slot wordt [appellant] volgens de rechtbank niet onevenredig geraakt door het besluit van 9 juni 2021.
Juridisch kader
4.       Artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp luidt: "Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland."
Het tweede lid luidt: "Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek is bekendgemaakt."
Artikel 2.39, eerste lid, van de Wet brp luidt: "De ingezetene die zijn adres wijzigt doet hiervan schriftelijk aangifte bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft."
Hoger beroep
5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college hem terecht uit de brp heeft uitgeschreven. Per e-mail van 7 oktober 2018 heeft [appellant] aan het college meegedeeld dat hij niet meer op het adres woont. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij toen dakloos was en nog geen vaste verblijfplaats had gevonden. [appellant] heeft aan het college kenbaar gemaakt op welke wijze hij kon worden bereikt: telefonisch, per e-mail of via zijn gemachtigde. Het college heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Het is dus niet zo dat [appellant], desgevraagd, geen verblijfplaats kenbaar had willen maken. Het door het college uitgevoerde adresonderzoek is volgens [appellant] gebrekkig. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Tot slot had de rechtbank de belangenafweging in zijn voordeel moeten laten uitvallen. [appellant] is namelijk onevenredig hard geraakt door het besluit van 9 juni 2021.
5.1.    De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd en hiervoor onder 5 zijn weergegeven, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5 tot en met 10 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
5.2.    Het betoog slaagt niet.
Evenredigheid
5.3.    De Afdeling overweegt dat artikel 2.22 van de Wet brp dwingend voorschrijft dat de bijhoudingsgemeente zorgdraagt voor uitschrijving indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van haar geen aangifte van wijziging van haar adres of van vertrek is ontvangen en na gedegen onderzoek geen gegevens over haar kunnen worden achterhaald. De Wet brp is een wet in formele zin. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, onder 9.6 en 9.10 (hierna: de uitspraak van 1 maart 2023), kan de toepassing van artikel 2.22 van de Wet brp daarom niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel, zoals ook neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.4.    Onder 9.11-9.14 van de uitspraak van 1 maart 2023 heeft de Afdeling uiteengezet dat aanleiding kan bestaan voor zogenoemde contra-legemtoepassing van algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Dit is het geval als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
5.5.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2926, is het doel van de Wet brp dat de in de basisregistratie personen vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de basisregistratie personen gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd.
Zoals is vermeld in de memorie van toelichting bij de Wet brp (Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3, blz. 42 en 133) wordt in artikel 2.22 een expliciete regeling getroffen voor het opschorten van de bijhouding van de persoonslijst van een ingezetene die het adres waarop hij in de basisregistratie is ingeschreven, heeft verlaten en spoorloos is. Daaruit volgt dat de wetgever heeft onderkend dat de werkelijke woon- of adressituatie in de gevallen waarin artikel 2.22 van de Wet brp toepassing vindt, niet bekend is. De memorie van toelichting vermeldt verder dat er niet lichtvaardig tot ambtshalve toepassing van artikel 2.22 van de Wet brp mag worden overgegaan. De gevolgen daarvan zijn immers aanzienlijk waarbij wordt aangegeven dat het voor de ingeschrevene betekent dat de verschillende overheidsorganen (en derden) er in beginsel vanuit gaan dat hij niet meer in Nederland verblijft. Zij zullen bijvoorbeeld uitkeringen en andere vormen van dienstverlening ten behoeve van betrokkene in beginsel stopzetten.
5.6.    De wetgever heeft bewust onderkend en aanvaard dat in een situatie zoals die waarin [appellant] verkeerde, namelijk het als gevolg van het ontbreken van een adresgegeven in de brp geregistreerd zijn als "vertrokken uit Nederland", in beginsel tot gevolg heeft dat uitkeringen en andere vormen van dienstverlening ten behoeve van betrokkene stop worden gezet. Daarom bestaat er geen aanleiding voor contra-legemtoepassing zoals bedoeld onder 5.3. Naar het oordeel van de Afdeling doen zich in een geval als dat van [appellant] geen bijzondere omstandigheden voor die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Daarom komt de Afdeling niet toe aan de vraag of toepassing van artikel 2.22 van de Wet brp zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege zou moeten blijven.
5.7.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bindels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
85-1101