Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2173

Raad van State

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
202302945/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 8 EVRMArt. 20 VWEUArt. 8:54 AwbAfdeling 3.2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsdocument EU/EER en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Appellant, met de Marokkaanse nationaliteit, diende op 20 oktober 2020 een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep niet-ontvankelijk, omdat appellant reeds in het bezit was van een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM Pro.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellant wel degelijk procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep, omdat de minister in een nieuw besluit kan vaststellen dat appellant reeds vanaf de datum van zijn aanvraag een verblijfsrecht ontleent aan artikel 20 VWEU Pro. Dit recht ontstaat onafhankelijk van toestemming van de autoriteiten en kan van belang zijn voor toekomstige verblijfsaanspraken, naturalisatie en sociale voorzieningen.

Verder stelt de Afdeling dat de minister gehouden is om, op basis van concrete gegevens van appellant, te beoordelen of het verblijfsrecht al bestond voor de datum van de aanvraag en vanaf welk tijdstip dit recht geldt. De rechtbank heeft ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast is de redelijke termijn van de procedure met tien maanden overschreden, waarvoor een forfaitaire schadevergoeding van € 1.000,00 wordt toegekend. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 22 september 2022, en veroordeelt de Staat tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: Het besluit van 22 september 2022 wordt vernietigd en appellant krijgt een schadevergoeding van € 1.000,00 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

202302945/1/V1.
Datum uitspraak: 20 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 april 2023 in zaak nr. NL22.21442 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 mei 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.
Bij besluit van 22 september 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 april 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. K.J. Kerdel, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1.       Appellant, geboren op [geboortedatum] 1988, heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft op 20 oktober 2020 een aanvraag ingediend om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 (de eerste aanvraag). De minister heeft deze aanvraag afgewezen en het bezwaar tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 juli 2022 het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van die uitspraak.
1.1.    Terwijl de beroepsprocedure tegen het besluit op bezwaar van de eerste aanvraag nog liep, heeft appellant op 30 augustus 2021 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister heeft ook deze aanvraag afgewezen, maar hij heeft het bezwaar tegen deze afwijzing, bij besluit van 15 juli 2022, gegrond verklaard en appellant in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd per 5 juli 2022.
1.2.    De minister heeft vervolgens, bij het besluit van 22 september 2022, het bezwaar tegen de afwijzing van de eerste aanvraag opnieuw ongegrond verklaard, omdat appellant al in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier. Tegen dat besluit heeft appellant beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant door de beoordeling van het beroep niet in een materieel gunstigere positie zou kunnen komen. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister geen bevoegdheid heeft om de ingangsdatum van een rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan vast te stellen en dus geen document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, kan afgeven met een eerdere ingangsdatum dan de afgiftedatum.
Beoordeling grieven
2.       Appellant klaagt in zijn eerste en tweede grief over het oordeel van de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk is. Volgens appellant heeft hij er belang bij dat de minister beoordeelt of hij een verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van Pro het VWEU.
2.1.    Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
2.2.    Met het instellen van beroep kon appellant in dit geval het doel dat hem voor ogen stond, namelijk de vaststelling dat hij een verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van Pro het VWEU, bereiken. Appellant is inmiddels in het bezit van een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van Pro het EVRM en de minister zal hem daarom hoe dan ook geen artikel 9-document verlenen. Dit laat echter onverlet dat de minister in een nieuw te nemen besluit op bezwaar kan vaststellen dat appellant, voorafgaand aan het verblijfsrecht dat hij ontleent aan die verblijfsvergunning regulier en met ingang van 20 oktober 2020, de datum van zijn aanvraag in deze procedure, al een verblijfsrecht had, ontleend aan artikel 20 van Pro het VWEU. Dat verblijfsrecht ontstaat immers onafhankelijk van de toestemming van de autoriteiten. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1145, onder 8.1. Een dergelijke vaststelling is voor appellant ook feitelijk van betekenis, omdat zijn rechtmatig verblijf daarmee op een eerder moment aanvangt, wat bijvoorbeeld van belang kan zijn voor eventuele verblijfsaanspraken in de toekomst, voor naturalisatie en voor mogelijke aanspraken op sociale voorzieningen.
2.3.    De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is.
2.4.    Grief 1 en 2 slagen.
3.       Appellant klaagt in grief 3 terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister, ondanks het ontbreken van een wettelijke bevoegdheid daartoe, in sommige gevallen wel gehouden kan zijn om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf ontleend aan artikel 20 van Pro het VWEU vast te stellen. In haar uitspraak van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2540, onder 4.1 en 4.2, heeft de Afdeling immers overwogen dat het ontbreken van die bevoegdheid niet betekent dat de minister niet gehouden is om op grond van afdeling 3.2 van de Awb vast te stellen met ingang van welke datum zo’n verblijfsrecht feitelijk bestaat. De bewijslast voor het bestaan van het verblijfsrecht en daarmee ook voor het tijdstip waarop dat verblijfsrecht is ontstaan ligt in beginsel bij de vreemdeling. Als een vreemdeling stelt dat het verblijfsrecht al voor de datum van de aanvraag bestond, zal hij dat dus wel met concrete gegevens aannemelijk moeten maken.
3.1.    In dit geval heeft appellant gesteld dat zijn rechtmatig verblijf ontleend aan artikel 20 van Pro het VWEU al bestond voor de datum van de aanvraag. Dat betekent dat, als de minister, de overweging onder 2.2 in aanmerking genomen, constateert dat appellant een verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van Pro het VWEU, hij aan de hand van de informatie die appellant heeft verstrekt, gehouden is om te beoordelen of appellant daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat dit verblijfsrecht al bestond voor de datum van zijn aanvraag en om te beoordelen op welk tijdstip dat verblijfsrecht is ontstaan.
3.2.    Grief 3 slaagt.
4.       Wat appellant in grief 5 aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid van de Vw 2000). Ook roept de vijfde grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Overschrijding van de redelijke termijn
5.       Appellant heeft in zijn nader stuk van 26 augustus 2025 verzocht om hem een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
5.1.    De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
5.2.    De minister heeft het bezwaarschrift van appellant ontvangen op 9 juni 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met tien maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend.
5.3.    De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.000,00.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder aanvoert te bespreken. Gelet op wat onder 2.2, 2.3 en 2.4 is overwogen, is het beroep gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 22 september 2022. De minister moet de proceskosten in beroep en hoger beroep vergoeden. De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet de proceskosten betalen voor het verzoek om schadevergoeding. Bij de berekening van de kosten zal de Afdeling, waar het gaat om de zwaarte van de zaak over de overschrijding van de redelijke termijn, de wegingsfactor licht (0,5) toepassen. De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet aan appellant een schadevergoeding betalen van € 1.000,00 wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 april 2023 in zaak nr. NL22.21442;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 22 september 2022, V-[...];
V.       veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan appellant een schadevergoeding te betalen van € 1.000,00;
VI.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII.     veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII.    gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 458,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026
574-1097