ECLI:NL:RVS:2026:2169
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht
Betrokkene, houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking 'studie', werd door de minister van Asiel en Migratie geconfronteerd met een besluit tot intrekking van deze vergunning per 26 maart 2023 vanwege onvoldoende studievoortgang. De rechtbank had geoordeeld dat de intrekking pas per de datum van het besluit (7 november 2023) mocht plaatsvinden, en verklaarde het beroep van betrokkene gegrond.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat het beleid en vaste rechtspraak bepalen dat de intrekking met terugwerkende kracht kan plaatsvinden vanaf het moment dat niet meer aan de voorwaarden werd voldaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank het beleid onjuist had geïnterpreteerd en dat de intrekking terecht met terugwerkende kracht per 26 maart 2023 kon worden uitgevoerd.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep alsnog ongegrond. Er waren geen nieuwe beroepsgronden die niet door de rechtbank waren besproken. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 21 april 2026.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 26 maart 2023 is rechtmatig en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard.