Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2108

Raad van State

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
BRS.26.001397
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awbartikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentie

Bij besluit van 12 februari 2026 legde de minister van Asiel en Migratie aan appellant een vrijheidsontnemende maatregel op. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 16 maart 2026 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.

Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep richtte zich op de vraag of het Justitieel Complex Schiphol kan worden aangemerkt als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie in de zin van de Opvangrichtlijn.

De Afdeling verwijst naar eerdere uitspraken waarin deze vraag reeds is beantwoord en ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen. Ambtshalve ziet de Afdeling geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

BRS.26.001397
Datum uitspraak: 17 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 16 maart 2026 in zaak nr. NL26.10310 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2026 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 16 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.A. Hardoar, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.        Het hoger beroep gaat namelijk over de vraag of het Justitieel Complex Schiphol een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van de Opvangrichtlijn. De Afdeling heeft deze vraag beantwoord in de uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, onder 4 tot en met 4.4.2, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789, onder 3 tot en met 3.7.2. Zij heeft in de uitspraak van 26 februari 2025 ook uitgelegd waarom zij geen aanleiding ziet om hierover prejudiciële vragen te stellen. Daarnaast wijst de Afdeling op de verwijzingsuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4570.
2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026
1020