Betrokkene, met de Armeense en Russische nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 5 mei 2022 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. De minister stelde hiertegen hoger beroep in, terwijl betrokkene incidenteel hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom betrokkene niet onder de uitzondering viel dat Armenië niet als veilig land van herkomst kon worden beschouwd. Tevens werd vastgesteld dat de aanwijzing van Armenië als veilig land van herkomst in strijd is met de Procedurerichtlijn, waardoor de afwijzing als kennelijk ongegrond niet kon worden gehandhaafd.
Daarnaast werd geoordeeld dat de minister niet verplicht was om aanvankelijk nader medisch onderzoek te doen, maar dat gezien de nadere medische stukken die betrokkene tijdens de procedure overlegde, nader onderzoek naar zijn gezondheidstoestand noodzakelijk is. De Afdeling vernietigde het besluit van 5 mei 2022 en het daaropvolgende besluit van 23 augustus 2023, en gelastte de minister een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak van 16 maart 2026 en nader medisch onderzoek.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €3.736,00. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van betrokkene gegrond.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen met nader onderzoek naar de medische situatie.
Uitspraak
202204023/1/V3.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de hoger beroepen van:
1. [betrokkene],
2. de minister van Asiel en Migratie,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 juni 2022 in zaak nr. NL22.8484 in het geding tussen:
betrokkene
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 5 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 28 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, thans vertegenwoordigd door mr. A. Hol, advocaat in Alkmaar, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 23 augustus 2023 heeft de minister de aanvraag van betrokkene opnieuw afgewezen.
Betrokkene heeft daartegen beroepsgronden ingediend.
Op verzoek van de Afdeling heeft de minister schriftelijk gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie van 1 augustus 2025, Alace, ECLI:EU:C:2025:591.
Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene, met de Armeense en Russische nationaliteit, heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor vervolging in Rusland vanwege extremisme. De minister heeft dat geloofwaardig geacht, maar de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat betrokkene kan terugkeren naar Armenië. Volgens de landeninformatie werd Armenië namelijk als veilig land van herkomst beschouwd met uitzondering van, voor zover dat relevant is voor deze uitspraak, personen van wie aannemelijk is dat ze in strafrechtelijke detentie zullen worden geplaatst.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zijn standpunt dat betrokkene niet onder de eerdergenoemde uitzondering valt niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Betrokkene heeft aan de hand van openbare bronnen betoogd dat de verdragsrechtelijke mogelijkheid bestaat dat Rusland een inlichtingenverzoek zal doen bij Armenië, met als mogelijk gevolg dat Armenië hem in strafrechtelijke detentie zal plaatsen. Omdat de minister daarnaast de vrees voor vervolging in Rusland geloofwaardig heeft geacht, kon hij naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nader onderzoek en zonder naar openbare bronnen te verwijzen, volstaan met het standpunt dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat Rusland daadwerkelijk over zal gaan tot een inlichtingenverzoek met strafrechtelijke detentie in Armenië tot gevolg.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene
3. Betrokkene klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de aanvraag als kennelijk ongegrond kon afwijzen, omdat Armenië in het algemeen als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. De aanwijzing van Armenië als veilig land van herkomst, waar de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond op berust, is in strijd met de Procedurerichtlijn. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 16 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1438, onder 5 tot en met 7.2, waarin zij ingaat op de gevolgen van het arrest Alace voor de Nederlandse asielprocedure en waaruit ook blijkt dat de minister alle nationale aanwijzingen als veilig land tot 12 juni 2026 heeft opgeschort.
3.1. De eerste grief slaagt.
3.2. Wat betrokkene in zijn tweede grief aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept de tweede grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Het hoger beroep van de minister
4. In zijn enige grief klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene niet onder de in de herbeoordeling van Armenië als veilig land van herkomst genoemde uitzondering valt. Aangezien de aanwijzing van Armenië als veilig land van herkomst en de daarin opgenomen uitzonderingen in strijd zijn met de Procedurerichtlijn, treft zijn grief geen doel. De Afdeling wijst in dit kader nogmaals op haar uitspraak van 16 maart 2026 onder 5 tot en met 7.2.
4.1. De enige grief van de minister faalt.
Conclusie van het hoger beroep
5. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is gegrond. Het hoger beroep van de minister is ongegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Op 23 augustus 2023 heeft de minister naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank opnieuw een besluit genomen op de aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Omdat de uitspraak van de rechtbank is vernietigd, is de rechtsgrondslag aan het besluit van 23 augustus 2023, dat ter uitvoering van die uitspraak is genomen, komen te ontvallen. Dit besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.
5.1. De Afdeling beoordeelt verder nog het beroep tegen het besluit van 5 mei 2022. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep
6. Betrokkene betoogt dat de minister in het kader van artikel 64 vanPro de Vw 2000 nader onderzoek had moeten doen naar zijn medische situatie, omdat uit het advies van MediFirst over het kunnen plaatsvinden van een asielgehoor bleek dat hij aan een neurologische ziekte lijdt en hij op 9 februari 2022 al had meegedeeld dat hij gediagnosticeerd is met een halstumor. Ter verdere onderbouwing van zijn betoog heeft betrokkene in beroep ook een brief van een chirurgisch oncoloog over een bezoek aan de polikliniek op 28 maart 2022 overgelegd. Daaruit blijkt dat betrokkene vanwege schildklierkanker in aanmerking kwam voor een chirurgische ingreep. In een nader stuk van 9 december 2025 heeft betrokkene aanvullende medische stukken overgelegd, waaruit de Afdeling opmaakt dat hij inmiddels een chirurgische ingreep heeft ondergaan en nog steeds onder behandeling staat.
6.1. Gelet op artikel 83, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, betrekt de Afdeling alle bovengenoemde stukken in de beoordeling van de beroepsgrond.
6.2. De Afdeling stelt voorop dat de minister op basis van de beperkte informatie die hem in de besluitvorming ter beschikking stond, niet verplicht was nader onderzoek in te stellen naar de gezondheidstoestand van betrokkene in het kader van artikel 64 vanPro de Vw 2000. Omdat echter betrokkene gedurende de procedure zijn betoog met medische stukken nader heeft onderbouwd, en daaruit blijkt dat hij een ingrijpende operatie heeft ondergaan en voor zijn aandoening ook nog verder onder behandeling staat, ligt het in de rede dat de minister in het kader van uitstel van vertrek nader onderzoek naar de gezondheidstoestand van betrokkene instelt. Zo is er eerder niet een advies van Bureau Medische Advisering opgevraagd. De beroepsgrond slaagt.
6.3. Het beroep is gegrond.
Conclusie
7. Hoewel de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zo veel mogelijk definitief beslecht, ziet de Afdeling in dit geval geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Het besluit van 5 mei 2022 wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak van 16 maart 2026, onder 5 tot en met 7.2. Daarnaast moet de minister met inachtneming van wat hiervoor is overwogen opnieuw onderzoeken of zij ambtshalve toepassing moet geven aan artikel 64 vanPro de Vw 2000. De minister moet de proceskosten voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van betrokkene gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 juni 2022 in zaak nr. NL22.8484;
IV. vernietigt het besluit van 23 augustus 2023, V-[…];
V. verklaart het beroep tegen het besluit van 5 mei 2022 gegrond;
VI. vernietigt het besluit van 5 mei 2022, V-[…];
VII. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.