AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet-tijdig besluit asielaanvraag en verwijzing beroep naar rechtbank
Appellant stelde beroep in tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure nam de minister alsnog een besluit op de aanvraag, waarbij de aanvraag werd afgewezen. De Afdeling oordeelde dat met het nemen van dit besluit het doel van het hoger beroep was bereikt, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Tevens werd overwogen dat de minister de beslistermijn had overschreden, waardoor de minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
De Afdeling verwees het beroep tegen het besluit van 19 maart 2026 naar de rechtbank Den Haag, omdat deze rechtbank gespecialiseerd is in de toetsing van asielbesluiten in eerste aanleg. Hierdoor blijft de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling behouden. De Afdeling legde een proceskostenvergoeding van €467,- op aan de minister, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 19 maart 2026 is verwezen naar de rechtbank Den Haag.
Uitspraak
202501332/1/V1.
Datum uitspraak: 9 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 februari 2025 in zaak nr. NL24.32787 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 5 februari 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Pals, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 19 maart 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen.
Appellant heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de aanvraag van 7 december 2023. Dat heeft de minister bij het besluit van 19 maart 2026 wel gedaan. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft appellant het doel van deze procedure bereikt.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3. Het hoger beroep gaat over de rechtmatigheid van het door de minister verlengen van de beslistermijn met WBV 2023/3 in asielzaken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, hierover prejudiciële vragen gesteld. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 5 maart 2026, Safita, ECLI:EU:C:2026:160, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling moet hierover eerst nog einduitspraak doen. Het antwoord op de rechtsvraag of de minister die beslistermijn rechtmatig heeft verlengd, heeft in dit geval geen invloed op de vraag of verzoeker zijn proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister op 19 maart 2026 een besluit genomen op de aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
4. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0.5 toe.
Het besluit van 19 maart 2026
5. Het besluit van 19 maart 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 vanPro de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De minister heeft in dat besluit de asielaanvraag van appellant afgewezen. Appellant heeft bij brief van 31 maart 2026 laten weten het niet eens te zijn met dat besluit. Hij heeft ook beroepsgronden gericht tegen dat besluit.
6. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 19 maart 2026, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. verwijst het beroep tegen het besluit van 19 maart 2026,
V-[…], naar de rechtbank Den Haag;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.