AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroepen tegen omgevingsvergunning bouw appartementencomplexen in Almere
Het college van burgemeester en wethouders van Almere verleende op 23 oktober 2023 een omgevingsvergunning aan VORM Ontwikkeling B.V. voor de bouw van twee appartementencomplexen met een half-verdiepte parkeergarage aan de Vitus Beringstraat in Almere. Bewoners aan de overzijde van de straat, appellanten, maakten bezwaar en stelden beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank verklaarde de beroepen niet-ontvankelijk omdat de appellanten hun beroepsgronden niet binnen de beroepstermijn hadden aangevoerd.
De appellanten voerden in hoger beroep aan dat zij niet tijdig kennis hadden genomen van de correcte rechtsmiddelenverwijzing en dat zij slechts hun eerder ingediende beroepsgronden hadden aangevuld. De Afdeling oordeelde dat de appellanten door de brieven van het college wisten of hadden kunnen weten dat na afloop van de beroepstermijn geen nieuwe beroepsgronden konden worden aangevoerd. De niet-ontvankelijkheid van de beroepen is daarom terecht vastgesteld.
Daarnaast oordeelde de Afdeling dat het appelverbod niet doorbroken kon worden voor het incidenteel hoger beroep van het college en VORM. De Afdeling veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten van de appellanten voor de behandeling van de incidentele hoger beroepen. De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere beslissingen en sluit de procedure af.
Uitkomst: De beroepen van bewoners tegen de omgevingsvergunning zijn niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep is ongegrond verklaard.
Uitspraak
202501710/1/R4.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C], allen wonend in Almere,
2. VORM Ontwikkeling B.V., gevestigd in Papendrecht (VORM),
3. het college van burgemeester en wethouders van Almere,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 februari 2025 in zaken nrs. 24/3082 en 24/3086 in het geding tussen:
[appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 23 oktober 2023 heeft het college aan VORM een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van twee appartementencomplexen met half-verdiepte parkeergarage op het perceel [perceel] aan de Vitus Beringstraat in Almere (het perceel).
Bij besluiten van 14 maart 2024 heeft het college het daartegen door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gemaakte bezwaar en het door [appellant sub 1C] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ingestelde beroep en het door [appellant sub 1C] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 13 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] gedane verzet gegrond verklaard en de door [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] ingestelde beroepen tegen de besluiten van 14 maart 2024 opnieuw niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van 13 februari 2025 hebben [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] hoger beroep ingesteld, voor zover daarbij de beroepen niet-ontvankelijk zijn verklaard.
Het college en VORM hebben ieder voor zich een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
VORM en het college hebben incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 13 februari 2025, voor zover daarbij het gedane verzet gegrond is verklaard.
[appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 januari 2026, waar [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C], bijgestaan door mr. E.D. van Tellingen, advocaat in Almere, VORM, vertegenwoordigd door mr. M.Y.C.L. de Wit, advocaat in Rotterdam, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. van Rossem, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 juli 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het perceel is gesitueerd aan de oostzijde van de Vitus Beringstraat. VORM wil daar twee appartementencomplexen met een half-verdiepte parkeergarage bouwen. De appartementencomplexen zullen volgens de aanvraag om de omgevingsvergunning in totaal ruimte bieden aan 113 appartementen.
[appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] wonen aan westzijde van de Vitus Beringstraat en zij vrezen overlast van de tegenover hen voorziene gebouwen.
3. De Chw is van toepassing. Het college heeft in de rechtsmiddelenverwijzing in de besluiten van 14 maart 2024 verzuimd dat te vermelden. Bij brieven van 21 maart 2024 heeft het college [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] erop gewezen dat de rechtsmiddelenverwijzing niet correct was en daarin de volgens hem correcte rechtsmiddelenverwijzing opgenomen.
Bij brieven van 17 april 2024 hebben [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] pro forma beroep ingesteld tegen de besluiten van 14 maart 2024. Bij brieven van 24 mei 2024 hebben [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] gronden bij hun beroepen aangevoerd. Vast staat dat die gronden buiten de beroepstermijn zijn aangevoerd.
In de uitspraak na vereenvoudigde behandeling van 31 juli 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] kennelijk niet-ontvankelijk zijn in hun beroepen. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] binnen de beroepstermijn geen concrete beroepsgrond hebben aangevoerd en dat het aanvoeren van beroepsgronden niet mogelijk is na afloop van die termijn. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de artikelen 1.6, tweede lid, en 1.6a van de Chw. In de uitspraak op het verzet van 13 februari 2025, heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard, omdat de beroepen volgens de rechtbank niet zonder zitting hadden mogen worden beoordeeld. De rechtbank heeft daarbij ook uitspraak gedaan op de beroepen door die beroepen opnieuw niet-ontvankelijk te verklaren.
4. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Incidenteel hoger beroepen
5. VORM en het college betogen dat de rechtbank het verzet niet gegrond had mogen verklaren. Zij voeren aan dat de niet-ontvankelijkheid van de beroepen zo evident is dat de rechtbank dat oordeel kon en moest geven na vereenvoudigde behandeling, zoals bedoeld in artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens VORM en het college blijkt uit de uitspraak op het verzet onvoldoende waarom geen sprake is van een zodanige kennelijkheid dat een zitting achterwege kon blijven. Gelet hierop moet het appelverbod worden doorbroken, zo betogen VORM en het college.
5.1. De uitspraak van de rechtbank van 13 februari 2025 is, voor zover daarbij op het verzet van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] is beslist, een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb, kan daartegen geen hoger beroep worden ingesteld.
Wat VORM en het college hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een zodanige schending van beginselen van een goede procesorde, dan wel fundamentele rechtsbeginselen, dat geoordeeld moet worden dat geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden en dat daarom het appelverbod moet worden doorbroken. Als de enkele stelling dat de uitspraak op verzet onjuist is, een doorbreking van het appelverbod zou rechtvaardigen, dan zou dat neerkomen op een verkapt hoger beroep dat de wetgever juist niet heeft gewild (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2681, onder 3.2).
Het hoger beroep
6. [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] betogen, onder verwijzing naar een aantal uitspraken van de Afdeling, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hun niet kan worden tegengeworpen dat zij gronden na de beroepstermijn hebben ingediend. Zij voeren aan dat hun gemachtigde bij het in ontvangst nemen van de brieven van 21 maart 2024 geen oog heeft gehad voor de gecorrigeerde rechtsmiddelenverwijzing en om die reden daarvan geen kennis heeft genomen. Volgens [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] zou het overigens niet hebben geholpen als de gemachtigde de correctie wel had gezien, omdat de gecorrigeerde rechtsmiddelenverwijzing in de brieven van 21 maart 2024 evenmin juist is. Volgens [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] staat daar ten onrechte niet in dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard bij het niet indienen van gronden voor de afloop van de beroepstermijn. Dat had op grond van artikel 11, tweede lid, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (Besluit uitvoering Chw) volgens hen wel gemoeten.
[appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] stellen in dit verband ook dat de formulering van de gecorrigeerde rechtsmiddelenverwijzing suggereert dat na de beroepstermijn weliswaar geen nieuwe beroepsgronden kunnen worden ingediend, maar dat aanvulling van beroepsgronden wel mogelijk is. [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] stellen dat zij in de brieven van 24 mei 2024 slechts eerder aangevoerde beroepsgronden hebben aangevuld.
Tot slot voeren [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] aan dat de procedure nu al zo lang loopt, dat de versnelling van de procedure die is beoogd met de Chw teniet is gedaan. Ook daarom had de rechtbank hun beroepen ontvankelijk moeten achten, zo betogen [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C].
6.1. In de brieven van 17 april 2024, waarmee [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] beroep hebben ingesteld tegen de besluiten van 14 maart 2024, stellen zij slechts dat de besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd en in strijd zijn met artikel 3:2 enProartikel 3:4 vanPro de Awb. Die stelling kan niet worden aangemerkt als een voldoende op het concrete geval betrekking hebbende beroepsgrond. Deze brieven bevatten dus geen beroepsgronden die na afloop van de beroepstermijn nog konden worden aangevuld.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] kan worden tegengeworpen dat zij niet binnen de beroepstermijn gronden hebben aangevoerd.
6.2. In de besluiten van 14 maart 2024 is de toepasselijkheid van de Chw niet vermeld. Dat is in strijd met artikel 11, eerste lid, van het Besluit uitvoering Chw. In die besluiten is ook niet opgenomen wat daarin op grond van artikel 11, tweede lid, van het Besluit uitvoering Chw had moeten worden vermeld.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2046, onder 2.2 en de uitspraak van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1129, onder 16.4), kan bij een dergelijke schending van artikel 11 vanPro het Besluit uitvoering Chw een belanghebbende in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd, omdat de Chw afwijkt van het stelsel dat is neergelegd in de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb. Dit is alleen anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd.
De bij brieven van 21 maart 2024 aan [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] verstrekte rechtsmiddelenverwijzingen vermelden wel dat de Chw van toepassing is. Ook staat daarin: "Dit betekent, dat de belanghebbende in het beroepschrift moet aangeven welke beroepsgronden hij aanvoert tegen het besluit. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd." De Afdeling is van oordeel dat [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] door deze brieven wisten of konden weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden konden worden aangevoerd. Hun kan dus worden tegengeworpen dat zij hun beroepsgronden niet tijdig hebben aangevoerd. Dat de vermelding, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit uitvoering Chw, achterwege is gebleven, doet daar niet aan af. In de duur van de procedure is ook geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar had moeten achten, dan wel buiten beschouwing had moeten laten. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover daarbij de beroepen niet-ontvankelijk zijn verklaard.
8. De Afdeling is niet bevoegd om kennis te nemen van de incidenteel hoger beroepen.
9. Het college moet de proceskosten van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] vergoeden, voor zover die betrekking hebben op de behandeling van de incidenteel hoger beroepen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de beroepen niet-ontvankelijk zijn verklaard;
II. verklaart zich onbevoegd om van de incidenteel hoger beroepen kennis te nemen;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Almere tot vergoeding van bij [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] in verband met de behandeling van de incidenteel hoger beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.C. Hoekstra, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
610-860
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 6:5, eerste lid
Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;
d. de gronden van het bezwaar of beroep.
Artikel 6:6
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 ofPro aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Artikel 8:55, eerste en zevende lid
1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuursrechter.
[…]
7. De uitspraak strekt tot:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet,
b. ongegrondverklaring van het verzet, of
c. gegrondverklaring van het verzet.
[…]
Artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c
Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen: […]
c. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid.
[…]
Crisis- en herstelwet (Chw)
Artikel 1.6, tweede lid
In afwijking van artikel 6:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht is het beroep niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.
Artikel 1.6a
Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.
Besluit uitvoering Chw
Artikel 11
1. Indien afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de wet op een besluit van toepassing is, wordt dit bij het besluit en bij de bekendmaking of mededeling van het besluit vermeld.
2. Indien tegen het besluit beroep openstaat, wordt bij het besluit en bij de bekendmaking van het besluit voorts vermeld dat:
a. de beroepsgronden in het beroepschrift worden opgenomen;
b. het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, en
c. deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.