AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging omgevingsvergunning voor sporthal met padelbanen ondanks bezwaren over parkeeroverlast
Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg verleende op 17 maart 2022 een omgevingsvergunning aan appellante voor het bouwen van een sporthal met 8 padelbanen, inclusief horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes, aan een locatie in Tilburg. Diverse omwonenden maakten bezwaar vanwege onder meer parkeeroverlast. De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond en vernietigde de besluiten op bezwaar van 18 januari 2023, omdat het college ten onrechte geen vergunning had verleend voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017".
Het college nam op 19 december 2024 een nieuw besluit waarin het eerdere besluit werd gehandhaafd en tevens een omgevingsvergunning werd verleend voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Tegen dit besluit zijn opnieuw beroepen ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze beroepen behandeld en geoordeeld dat het college terecht heeft afgeweken van het basisprincipe dat parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden opgelost, omdat parkeren op eigen terrein onwenselijk is en er voldoende restcapaciteit in de directe omgeving is.
De Afdeling oordeelde dat het parkeeronderzoek van GLV betrouwbaar is en dat de gehanteerde methodiek en meetmomenten representatief zijn. Ook is geoordeeld dat het ontbreken van een akoestisch onderzoek niet leidt tot een gebrek, omdat de rechtbank al had vastgesteld dat de sporthal binnen de bestemming past en aan de geluidsnormen wordt voldaan. De beroepen zijn ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De beroepen tegen het besluit van 19 december 2024 worden ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning wordt gehandhaafd.
Uitspraak
202404376/1/R2.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Tilburg,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 mei 2024 in zaken nrs. 23/1577, 23/1578, 23/1579, 23/1581 en 23/1583 in de gedingen tussen:
[partij A] [partij B],
[partij C] en [partij D],
[partij E] en [partij F],
[partij G] en [partij H],
allen wonend in Tilburg,
en
[partij I] en [partij J],
[partij K],
[partij L],
[partij M] en [partij N],
[partij O] en [partij P],
allen wonend in Tilburg,
en
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.
Procesverloop
Bij besluit van 17 maart 2022 heeft het college aan [appellante] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een sporthal voor 8 padelbanen met horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes aan de [locatie] in Tilburg.
Bij afzonderlijke besluiten van 18 januari 2023 heeft het college de door bezwaarmakers daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 17 maart 2022 in stand gelaten.
Bij uitspraak van 31 mei 2024 heeft de rechtbank de daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 18 januari 2023 vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op de bezwaren te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
[partij I] en anderen en [partij A] en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Bij besluit van 19 december 2024 heeft het college opnieuw beslist op de gemaakte bezwaren tegen het besluit van 17 maart 2022, deze bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 17 maart 2022, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten, met dien verstande dat ook een omgevingsvergunning is verleend voor handelen in strijd met het bestemmingsplan "Tilburg Parkeerregeling 2017".
[partij I] en anderen, [partij A] en anderen, [partij Q] en anderen, [partij O] en [partij P], en [partij R] en [partij S] hebben hun zienswijzen daarop gegeven.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft een schriftelijke reactie gegeven.
[partij I] en anderen, [partij A] en anderen, het college en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 2 februari 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden] en mr. B.F.J. Bollen, advocaat in Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door B. Tijssen, en mr. S. Schipper en mr. J. de Baar, beiden advocaat in Breda, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij I] en anderen, bijgestaan door mr. T.N. Bakkes, advocaat in Tilburg, [partij A] en anderen, bijgestaan door mr. I.E. Duijts, advocaat in Breda, [partij Q] en anderen en [partij O] en [partij P], allen bijgestaan door mr. M.M. Breukers, rechtsbijstandverlener in Leusden, en [partij R] en [partij S], bijgestaan door mr. C. Lubben, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 december 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Wettelijk kader
2. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
3. [appellante] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 8 binnenbanen voor het spelen van padel, inclusief horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes. Het college heeft bij besluit van 17 maart 2022 met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1o en 2o, van de Wabo de gevraagde omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken van gronden in strijd met de bestemmingsplannen "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013" en "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013, 1e wijziging".
4. [partij I] en anderen, [partij A] en anderen, [partij Q] en anderen, [partij O] en [partij P], en [partij R] en [partij S] wonen allen vlakbij de ontwikkellocatie in de wijk Dalem en vrezen onder meer voor parkeeroverlast als gevolg van het bouwplan.
Samenhang zaaknummer 202404248/1/R2
5. Deze zaak hangt samen met zaaknummer 202404248/1/R2 waarin de Afdeling ook vandaag uitspraak doet. In die zaak heeft het college aan [appellante] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 6 buitenbanen voor padel, inclusief het plaatsen van een geluidscherm en lichtmasten, op hetzelfde perceel.
Goede procesorde
6. [partij I] en anderen hebben op 22 januari 2026 een nader stuk ingediend. Het stuk bevat onder meer opnames en foto’s van parkeerplaatsen en toelichtingen daarop, een notitie van Prana Consult van 11 augustus 2025 en een notitie van VAGN van 22 januari 2026.
Ook [partij A] en anderen hebben op 22 januari 2026 een nader stuk ingediend en daarbij dezelfde notitie van VAGN overgelegd.
6.1. Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan 10 dagen duurt voordat de zitting is, zoals geregeld in artikel 8:58 vanPro de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Bij de invulling van deze twee vragen speelt in ieder geval een rol of het bewijsmiddel eerder had kunnen worden ingediend, de omvang van het bewijsmiddel, de complexiteit ervan en de deskundigheid die vereist is om daar adequaat op te reageren.
6.2. Zoals op de zitting al is aangegeven, is de door [partij I] en anderen overgelegde notitie van Prana Consult op 25 augustus 2025 ook door [partij R] en [partij S] overgelegd. De Afdeling zal dit stuk daarom niet buiten beschouwing laten.
De Afdeling zal pagina’s 3 tot en met 7 van de door [partij I] en anderen en [partij A] en anderen overgelegde notitie van VAGN vanwege de complexiteit daarvan en de omstandigheid dat zij dit stuk eerder hadden kunnen indienen, buiten beschouwing laten. De Afdeling zal de conclusies op pagina 7 wel betrekken bij de beoordeling.
Verder zal de Afdeling de door [partij I] en anderen overgelegde opnames en foto’s van parkeerplaatsen en toelichtingen daarop buiten beschouwing laten, met uitzondering van productie 14, die al eerder door [partij I] en anderen is overgelegd in zaaknummer 202404248/1/R2. Daarbij betrekt de Afdeling de omvang van de stukken en de omstandigheid dat [partij I] en anderen deze stukken eerder hadden kunnen indienen.
Aangevallen uitspraak
7. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat de besluiten op bezwaar van 18 januari 2023 in strijd zijn met artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo, omdat geen omgevingsvergunning is verleend voor gebruik in strijd met artikel 4.1, onder a, van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017", dat ook op het perceel van toepassing is. Volgens de rechtbank had het college ten tijde van het nemen van die besluiten redelijkerwijs moeten aannemen dat, anders dan in de aanvraag omschreven, met de aangevraagde vergunning gebruik in strijd met dat bestemmingsplan werd beoogd. Uit de omstandigheid dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat met de besluiten op bezwaar van 18 januari 2023 een omgevingsvergunning is verleend voor gebruik in strijd met artikel 4.1, onder a, van het bestemmingsplan, volgt volgens de rechtbank dat het college de aanvraag ten tijde van het nemen van die besluiten ook als zodanig heeft begrepen. Daarom heeft de rechtbank de besluiten van 18 januari 2023 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op de bezwaren te nemen. Hierdoor is de rechtbank niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden over de parkeernorm, het parkeeronderzoek en de belangenafweging om in afwijking van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017" een omgevingsvergunning te verlenen.
Hoger beroep
Strijd met het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017"
8. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat met de besluiten op bezwaar van 18 januari 2023 geen vergunning is verleend voor handelen in strijd met artikel 4.1, onder a, van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017". Zij verwijst naar het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Tilburg van 13 december 2022, waarin is aangegeven dat er wordt afgeweken van artikel 4.1, onder a, van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017".
8.1. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met artikel 4.1, onder a, van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017", omdat er onvoldoende parkeerplaatsen op eigen terrein zullen worden gerealiseerd.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de aanvraag ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo mede had moeten worden aangemerkt als een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning voor het met dit bestemmingsplan strijdige gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Het college had daarop een besluit moeten nemen, maar dat is, anders dan [appellante] betoogt, niet in de besluiten op bezwaar van 18 januari 2023 gebeurd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit die besluiten volgt dat er alleen een omgevingsvergunning is verleend voor handelen in strijd met de bestemmingsplannen "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013" en "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013, 1e wijziging (Spaubeekstraat 201)". Dat in het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Tilburg van 13 december 2022 staat dat er afgeweken kan worden van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017", betekent naar het oordeel van de Afdeling in dit geval nog niet dat de rechtbank niet had mogen oordelen dat in het besluit op bewaar geen omgevingsvergunning voor handelen in strijd met dit bestemmingsplan is verleend. Het besluit was op dat punt niet volledig helder.
Het betoog slaagt niet.
Passeren gebrek en bestuurlijke lus
9. [appellante] betoogt dat, indien aangenomen moet worden dat de besluiten op bezwaar van 18 januari 2023 een gebrek bevatten, de rechtbank dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb had kunnen passeren, dan wel dat de rechtbank een bestuurlijke lus had kunnen toepassen. Zij voert aan dat ook de omwonenden ervan zijn uitgegaan dat met de besluiten op bezwaar van 18 januari 2023 een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017" is verleend. Daarnaast wijst [appellante] erop dat de rechtbank de bestuurlijke lus achterwege heeft gelaten vanwege de samenhang met de omgevingsvergunning voor de 6 buitenbanen voor padel. Volgens [appellante] maakt de rechtbank daarmee een koppeling tussen de besluiten over de binnen- en buitenbanen, terwijl de rechtbank juist heeft geoordeeld dat die besluiten los van elkaar moeten worden beoordeeld.
9.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om het geconstateerde gebrek, gelet op de aard daarvan, te passeren.
Verder is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:712), de ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb aan de rechtbank toegekende bevoegdheid een bestuurlijke lus toe te passen, discretionair van aard. De rechtbank heeft gemotiveerd waarom zij geen ruimte ziet om de zaak finaal te beslechten. Er is geen grond voor het oordeel dat de rechtbank gehouden was een bestuurlijke lus toe te passen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie hoger beroep
10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Het besluit van 19 december 2024
11. Als gevolg van de uitspraak van de rechtbank moest het college een nieuw besluit op de bezwaren nemen. Met het besluit op bezwaar van 19 december 2024 (het nieuwe besluit) heeft het college het besluit van 17 maart 2022, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten, met dien verstande dat in aanvulling op dat besluit ook met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4.3, onder b, van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017", een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is verleend voor handelen in strijd met artikel 4.1 van de regels van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017".
11.1. Het nieuwe besluit wordt, gelet op artikel 6:24 vanPro de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
11.2. De Afdeling zal de beroepen van [partij I] en anderen, [partij A] en anderen, [partij O] en [partij P], [partij Q] en anderen en [partij R] en [partij S] tegen het nieuwe besluit hierna beoordelen.
Beroepen
Parkeren
- Parkeren op eigen terrein
12. [partij I] en anderen, [partij A] en anderen, [partij Q] en anderen, [partij O] en [partij P], en [partij R] en [partij S] betogen dat het college niet had mogen afwijken van het basisprincipe dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, als bedoeld in de nota "Parkeernormen Tilburg 2017" (parkeernota 2017), omdat de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd. Zij voeren aan dat [appellante] wel kán voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein, maar dat niet wíl, omdat zij daar de 6 buitenbanen voor padel wil realiseren.
12.1. Op grond van artikel 4.1, onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017" mogen de betreffende gronden enkel worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat ten behoeve van het parkeren of stallen van (motor)voertuigen in, op of onder het gebouw dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort in voldoende mate parkeergelegenheid aanwezig is.
Op grond van artikel 4.3, aanhef en onder b, van de regels van het bestemmingsplan "Tilburg, Parkeerregeling 2017" kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van artikel 4.1, indien wordt voldaan aan de voorwaarden en vrijstellingsregels zoals neergelegd in de parkeernota 2017.
In paragraaf 3.1 van de parkeernota 2017 staat dat het basisprincipe is dat een ontwikkeling in de parkeereis voorziet op eigen terrein en dat wanneer niet (volledig) aan dit basisprincipe kan worden voldaan, de initiatiefnemer moet aantonen waarom realisatie van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk is. In dat geval moet worden bezien of een aanpassing van het bouwplan of mogelijk andere oplossingen kunnen leiden tot het wel voldoen aan de parkeereis op eigen terrein.
Verder staat in paragraaf 3.1 van de parkeernota 2017 dat indien het in voorkomende gevallen fysiek onmogelijk of onwenselijk is om op eigen terrein parkeergelegenheid te realiseren, de mogelijkheid bestaat om de parkeerbehoefte in de directe nabijheid van het bouwplan op te lossen. De initiatiefnemer moet dan aangeven hoe dit gebeurt.
Paragraaf 3.1, onder b, van de parkeernota 2017 bepaalt dat als blijkt dat de parkeereis niet op eigen terrein kan worden opgelost, het mogelijk is om te onderzoeken of in de directe omgeving (structurele) restcapaciteit is voor de (resterende) parkeerbehoefte. Er is sprake van restcapaciteit indien de parkeerdruk in de directe omgeving, met toevoeging van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling, onder de 85% blijft. Onder de directe omgeving wordt in dit verband verstaan binnen een straal van 250 m van de ontwikkeling.
12.2. De Afdeling overweegt dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de mogelijkheid om af te wijken van het basisprincipe niet is beperkt tot gevallen waarin het fysiek onmogelijk is de parkeerbehoefte volledig op te lossen op eigen terrein. In paragraaf 3.1 van de parkeernota 2017 staat namelijk dat van het basisprincipe mag worden afgeweken indien het fysiek onmogelijk óf onwenselijk is om op eigen terrein parkeergelegenheid te realiseren. Deze benadering sluit ook aan bij de strekking van de parkeernota 2017. Zo volgt onder andere uit paragraaf 1.1 en 1.2 van de parkeernota 2017 dat van het basisprincipe mag worden afgeweken wanneer daardoor met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast in de omgeving ontstaat. Voor het antwoord op de vraag of er geen parkeeroverlast in de omgeving ontstaat, is de reden van afwijken niet relevant. Uiteindelijk is afwijken mogelijk als dit vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.
12.3. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd waarom parkeren op eigen terrein in dit geval onwenselijk is. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het te ver strekt om aan [appellante] geen omgevingsvergunning voor de 6 buitenbanen voor padel te verlenen, omdat [appellante] verplicht zou zijn op die locatie te voorzien in de benodigde parkeerplaatsen voor de sporthal. Daarnaast heeft het college toegelicht dat het voor wat betreft het gebied "Stadsrand Dalem-Zuid" juist positief staat tegenover het vinden van een parkeeroplossing in openbaar gebied, omdat het college streeft naar dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Op die manier wordt onnodige verharding en leegstand van reeds bestaande parkeergelegenheid voorkomen.
De betogen slagen niet.
- Gebiedsgerichte benadering
13. [partij I] en anderen en [partij A] en anderen betogen dat het college ten onrechte in het nieuwe besluit heeft benoemd dat gebruik is gemaakt van een gebiedsgerichte benadering, zoals omschreven in paragraaf 2.4 van de parkeernota 2017. Zij wijzen erop dat de gebiedsgerichte benadering is bedoeld voor grote gebiedsontwikkelingen waarbij een parkeervisie wordt opgesteld door de ontwikkelaar die in plaats van de parkeernota 2017 als toetsingskader wordt gebruikt. Volgens [partij I] en anderen en [partij A] en anderen meent het college kennelijk dat gebruik is gemaakt van een gebiedsgerichte benadering, maar omdat er geen parkeervisie is opgesteld, is dit niet mogelijk. Dit ondermijnt de onderbouwing van het nieuwe besluit, aldus [partij I] en anderen en [partij A] en anderen.
13.1. Op grond van paragraaf 2.4 van de parkeernota 2017 kan bij grote gebiedsontwikkelingen door de initiatiefnemer een parkeervisie worden opgesteld. Nadat deze visie de goedkeuring van het stadsbestuur heeft gekregen, worden aanvragen niet aan de parkeernota 2017, maar aan die parkeervisie getoetst.
13.2. In het nieuwe besluit staat dat voor het beoordelen van het parkeren is uitgegaan van de gebiedsgerichte parkeeroplossing, zoals omschreven in paragraaf 2.4 van de parkeernota 2017.
Niet in geschil is dat er geen parkeervisie door [appellante] is vastgesteld. De gebiedsgerichte benadering kan alleen al om die reden niet zijn toegepast. Daarnaast heeft het college in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat in het nieuwe besluit niet is uitgegaan van een gebiedsgerichte benadering, maar dat met de verwijzing naar de gebiedsgerichte benadering als bedoeld in paragraaf 2.4 van de parkeernota 2017 is bedoeld dat voor de gebiedsontwikkeling van "Stadsrand Dalem-Zuid" is gekozen voor een gezamenlijke parkeeroplossing waarbij het gehele gebied is betrokken en met name het bezoekersparkeren zoveel mogelijk gecombineerd in openbaar gebied wordt opgelost. De Afdeling begrijpt dat sommige passages in de betrokken stukken bij [partij I] en anderen en [partij A] en anderen de indruk hebben kunnen wekken dat er sprake was van een gebiedsgerichte benadering, maar deze is in deze zaak bij de beoordeling van het parkeren niet toegepast.
14. [partij I] en anderen en [partij A] en anderen betogen dat het nieuwe besluit gebrekkig is, omdat het daaraan ten grondslag liggende parkeeronderzoek van GLV van september 2024 (parkeeronderzoek 2024) in de stukken ontbreekt.
14.1. De Afdeling stelt vast dat het parkeeronderzoek 2024 niet bij het nieuwe besluit is gevoegd, maar dat levert naar het oordeel van de Afdeling geen gebrek op. In het nieuwe besluit worden de conclusies uit het parkeeronderzoek 2024 namelijk besproken en wordt meerdere keren verwezen naar het parkeeronderzoek 2024. Bovendien hebben [partij I] en anderen aangegeven dat zij het parkeeronderzoek wel hebben ontvangen via de stukken die ter inzage zijn gelegd in de procedure over de 6 buitenbanen voor padel.
Het betoog slaagt niet.
15. [partij I] en anderen en [partij A] en anderen betogen dat het parkeeronderzoek 2024, de "Parkeerbalans Padel, binnenbanen aan de Spaubeekstraat Tilburg" van 21 november 2024 (parkeerbalans 2024) en de toelichting op de parkeerbalans van 13 november 2024 (toelichting parkeerbalans 2024) gebreken bevatten. Volgens hen komt het college ten onrechte tot de conclusie dat de maximale bezetting van de beschikbare parkeercapaciteit binnen een straal van 250 m van de ontwikkeling onder de 85% blijft. Zij wijzen onder meer op de notitie van VAGN van 22 januari 2026.
[partij I] en anderen en [partij A] en anderen voeren aan dat GLV een onjuist meetmoment heeft gehanteerd en ten onrechte niet heeft gemeten op zaterdagochtend tussen 9.30 en 10.30 uur. Daardoor is GLV uitgegaan van een onjuiste parkeerdruk. [partij I] en anderen wijzen op een door henzelf opgemaakt verslag met foto-opnamen in de maanden maart, april en mei 2025, waaruit volgt dat het drukste moment op zaterdagochtend rond 9.45 uur is.
[partij I] en anderen en [partij A] en anderen brengen verder naar voren dat GLV in het parkeeronderzoek 2024 en het college in de parkeerbalans 2024 tot een onjuiste parkeercapaciteit zijn gekomen. Volgens [partij I] en anderen heeft GLV een te groot gebied beschouwd als de "directe omgeving" door te rekenen vanaf de hoeken van de ontwikkeling. Daarnaast heeft GLV ten onrechte geen rekening gehouden met de maximale loopafstand van 250 m, zoals onder meer genoemd in paragraaf 4.1 van de parkeernota 2017. Dat heeft volgens [partij I] en anderen tot gevolg dat alle parkeerplaatsen in de woonwijk Dalem niet meetellen voor de parkeercapaciteit. Overigens kunnen de parkeerplaatsen in deze woonwijk wel worden bereikt via zogenaamde "olifantenpaadjes", maar dat zijn geen formele looproutes. Verder hebben [partij I] en anderen berekend dat het college de parkeercapaciteit met 10 tot 20 parkeerplaatsen heeft overschat.
Tot slot wijzen [partij I] en anderen en [partij A] en anderen erop dat de zogenaamde "robuustheidstoets" terzijde geschoven moet worden, omdat het college uitgaat van een onjuiste parkeercapaciteit en de robuustheidstoets leidt tot een bezetting boven de 85%.
15.1. Zoals in overweging 12.1 is uiteengezet, bepaalt paragraaf 3.1, onder b, van de parkeernota 2017 dat als blijkt dat de parkeereis niet op eigen terrein kan worden opgelost, het mogelijk is om te onderzoeken of in de directe omgeving (structurele) restcapaciteit is voor de (resterende) parkeerbehoefte. Er is sprake van restcapaciteit indien de parkeerdruk in de directe omgeving, met toevoeging van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling, onder de 85% blijft. Onder de directe omgeving wordt in dit verband verstaan binnen een straal van 250 m van de ontwikkeling.
15.2. Voor de onderbouwing van de parkeerdruk en de parkeerbehoefte is aan het nieuwe besluit het parkeeronderzoek 2024, de parkeerbalans 2024 en de toelichting parkeerbalans 2024 ten grondslag gelegd. In die stukken is de parkeerdruk en parkeerbehoefte voor zowel de 6 buitenbanen als de sporthal voor 8 padelbanen met horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes uiteengezet. De Afdeling merkt op dat de gemeten capaciteit in deze stukken enigszins afwijkt van de resultaten uit het parkeeronderzoek van GLV van september 2024, versie maart 2025 (parkeeronderzoek 2025), en de aan de hand daarvan door het college opgestelde "Parkeerbalans Padel, binnenbanen aan de Spaubeekstraat Tilburg" van 2 april 2025 (parkeerbalans 2025) en de toelichting op de parkeerbalans van 3 april 2025 (toelichting parkeerbalans 2025 ), die ten grondslag zijn gelegd aan het nieuwe besluit in zaaknummer 202404248/1/R2. Dat betekent dat de berekeningen van de parkeerdruk in overweging 15.7 ook enigszins afwijken van de berekeningen in de uitspraak van de Afdeling van vandaag over de 6 buitenbanen.
Voor het vervolg zal de Afdeling uitgaan van het meest recente parkeeronderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het nieuwe besluit, namelijk dat van 2024. Dat doet de Afdeling omdat het om een toekomstige ontwikkeling gaat. Dat betekent dat de bevindingen uit het parkeeronderzoek van GLV van oktober 2022 buiten beschouwing worden gelaten. De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat GLV een onafhankelijke en onpartijdige deskundige is. Dat volgt ook uit de door [partij I] en anderen en [partij A] en anderen overgelegde notitie van VAGN van 22 januari 2026. Volgens VAGN heeft GLV de data zorgvuldig verzameld. Dat VAGN uitgaat van andere tellingen dan GLV, kan naar het oordeel van de Afdeling op zichzelf niet tot het oordeel leiden dat het parkeeronderzoek 2024 onjuistheden bevat. Niet is gebleken dat de tellingen van GLV niet representatief zijn.
15.3. De Afdeling is verder van oordeel dat [partij I] en anderen en [partij A] en anderen onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het parkeeronderzoek 2024, de parkeerbalans 2024 en de toelichting parkeerbalans 2024 dermate grote gebreken bevatten, dat het college niet tot de conclusie kon komen dat er voldoende restcapaciteit is in de directe omgeving van de ontwikkeling. De Afdeling zet hieronder uiteen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
15.4. Voor het bepalen van het representatieve meetmoment is GLV in het parkeeronderzoek 2024 uitgegaan van de functie in de directe omgeving die de meeste bezoekers trekt: voetbalvereniging T.S.V. Gudok. Op basis van het trainings- en wedstrijdschema van deze vereniging is op 8 verschillende meetmomenten geteld, waarvan 6 metingen op zaterdag 14 september 2024 en zaterdag 21 september 2024 tussen 9.00 en 9.30 uur, 10.30 en 11.00 uur en 11.30 en 12.00 uur. Het moment waarop de meeste auto’s geparkeerd stonden in het onderzoeksgebied is zaterdag 21 september 2024 tussen 10.30 en 11.00 uur. Dat [partij I] en anderen en [partij A] en anderen zelf hebben waargenomen dat de parkeerdruk op zaterdagochtend tussen 9.30 en 10.30 uur het grootst is, betekent niet dat de gehanteerde peilmomenten niet representatief zijn. Behalve de waarnemingen van [partij I] en anderen en [partij A] en anderen zijn er namelijk geen andere aanknopingspunten, ook niet in de door anderen ingebrachte parkeeronderzoeken, voor de stelling dat de peilmomenten van GLV in het parkeeronderzoek 2025 niet representatief zijn. Om te motiveren dat er geen parkeeroverlast ontstaat in de directe omgeving, hoeft het college bovendien niet op elk moment de parkeerdruk te meten.
15.5. Voor zover het college voor het bepalen van de "directe omgeving" is uitgegaan van de hoeken van het perceel aan de [locatie], overweegt de Afdeling dat dat op zich een gebruikelijke meetwijze is en dat die meetwijze niet leidt tot een gebrek.
15.6. Verder wordt volgens het college voor het berekenen van de restcapaciteit, zoals bedoeld in paragraaf 3.1, onder b, van de parkeernota 2017, niet gekeken naar de acceptabele loopafstanden in paragraaf 4.1, maar naar het aantal parkeerplaatsen binnen een straal van 250 m gemeten vanaf de hoeken van het perceel aan de [locatie]. Op de zitting heeft het college toegelicht dat deze straal is gebaseerd op een gemiddelde van de acceptabele loopafstanden en dit gemiddelde voorkomt dat voor elke functie een andere berekening moet worden gemaakt. Dat geldt hier in het bijzonder omdat de ontwikkeling in dit geval plaatsvindt binnen een bestaande omgeving met verschillende functies, waaronder sport en bedrijvigheid. Bovendien betreft het een inschatting van de parkeersituatie in de toekomst, waarin looproutes kunnen veranderen. Gelet hierop heeft het college mogen kiezen om bij een beoordeling van de parkeerdruk alle parkeerplaatsen in een straal van 250 m bij het onderzoek te betrekken.
15.7. Voor zover [partij I] en anderen hebben berekend dat het college de gemeten capaciteit met 10 tot 20 parkeerplaatsen heeft overschat, overweegt de Afdeling het volgende. Uit het parkeeronderzoek 2024 en de parkeerbalans 2024 volgt dat de gemeten capaciteit in 2024, inclusief de benodigde parkeerplaatsen voor de sporthal, neerkomt op 387 parkeerplaatsen binnen een straal van 250 m. Verder is de parkeerdruk op het representatieve meetmoment, inclusief de benodigde parkeerplaatsen voor de sporthal, 280 parkeerplaatsen. Dit leidt tot een maximale bezetting van 72,4%. Dat betekent dat, zelfs wanneer de gemeten capaciteit met 20 parkeerplaatsen zou zijn overschat, de maximale bezetting 76,3% bedraagt en de parkeerdruk dus ruim onder de 85% blijft. Overigens gaat het college in de parkeerbalans 2024 uit van een lagere parkeercapaciteit dan die door GLV is gemeten. Verder blijft de parkeerdruk ook ruim onder de 85% wanneer de parkeerdruk als gevolg van de 6 buitenbanen voor padel wordt meegenomen en wanneer wordt uitgegaan van een parkeercapaciteit van 385 in plaats van 387 parkeerplaatsen, zoals gemeten in het meest recente parkeeronderzoek van GLV van september 2024 (versie maart 2025) (parkeeronderzoek 2025).
15.8. Uit de parkeerbalans 2024 en de toelichting parkeerbalans 2024 volgt dat het college een robuustheidstoets heeft uitgevoerd, omdat de [locatie] van de woonwijk Dalem is gescheiden door de brede Dalemdreef en een brede groenstrook. Hierdoor ligt het volgens het college voor de hand dat bezoekers van de sporthal alleen in de woonwijk gaan parkeren als er echt geen andere mogelijkheid is. Met de robuustheidstoets heeft het college berekend of de parkeercapaciteit op het bedrijventerrein zelf, dus zonder de parkeerplaatsen in de wijk Dalem, voldoende is om de toekomstige parkeerdruk op te vangen. Omdat deze toets niet volgt uit de parkeernota 2017, geldt de maximale bezetting van 85% niet. Uit de robuustheidstoets volgt een parkeercapaciteit van 232 parkeerplaatsen en een parkeerdruk van 184 parkeerplaatsen, wat leidt tot een maximale bezetting van 79,3%. Ook hieruit volgt dat het college met voldoende zekerheid heeft mogen stellen dat er door de ontwikkeling geen parkeeroverlast in de omgeving ontstaat.
De betogen slagen niet.
Geluid
16. [partij I] en anderen en [partij A] en anderen betogen dat voor het nieuwe besluit ten onrechte geen akoestisch onderzoek is uitgevoerd.
16.1. De rechtbank heeft overwogen dat een sporthal inclusief overheaddeuren past binnen de ter plaatse geldende bestemming "Gemengd-3". In dat geval kan het college volgens de rechtbank niet van de aanvrager verlangen dat er akoestisch onderzoek wordt gedaan naar de gevolgen van het gebruik. De afwijkingen van de bestemmingsplannen zien alleen op het gebruik voor fysiotherapie, de kleinere afstand tot de perceelsgrenzen en de overschrijding van het maximale bebouwingspercentage en de maximale bouwhoogte. Voor de conclusie dat door deze afwijkingen het geluid ter plaatse van de woningen van [partij I] en anderen en [partij A] en anderen zodanig kan toenemen dat een akoestisch onderzoek had moeten worden gedaan in het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening, ontbreken volgens de rechtbank aanknopingspunten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de sporthal in beginsel een volledig afgesloten ruimte vormt en de kortst mogelijke afstand tussen het perceel en de woonwijk Dalem zo’n 75 m bedraagt. Verder zal volgens de rechtbank moeten worden voldaan aan de geluidsnormen uit het Besluit activiteiten leefomgeving, ook in de situatie dat de overheaddeuren zijn geopend.
16.2. [partij I] en anderen en [partij A] en anderen hebben geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel van de rechtbank, zodat wordt uitgegaan van de juistheid daarvan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801). Dit betekent dat het college aan het nieuwe besluit geen akoestisch onderzoek ten grondslag hoefde te leggen.
De betogen slagen niet.
Conclusie beroepen
17. De beroepen zijn ongegrond.
18. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. verklaart de beroepen tegen het besluit van 19 december 2024 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Pistoor
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
932-1140
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:6
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 ofPro aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Artikel 6:19
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
2. […].
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 6:24
Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 vanPro overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Artikel 8:51a
1. De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.
2. De bestuursrechter bepaalt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan het gebrek kan herstellen. Hij kan deze termijn verlengen.
Artikel 8:58
1. Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.
2. Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:56, gewezen.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. […]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan
[…].
Artikel 2.10
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
a. De gronden mogen enkel worden bebouwd of gebruikt onder voorwaarde dat ten behoeve van het parkeren of stallen van (motor)voertuigen in, op of onder het gebouw dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort in voldoende mate parkeergelegenheid aanwezig is.
b. Hierbij moet worden voldaan aan de parkeernormen en rekenmethode, zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de gewijzigde parkeernormen en rekenmethode;
c. De onder a. bedoelde plaatsen voor het stallen van voertuigen moeten afmetingen hebben die afgestemd zijn op gangbare (motor)voertuigen, zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de desbetreffende wijzigingen.
4.3 Afwijken van de regels
Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van artikel 4.1 en 4.2 indien:
a. op andere wijze in de nodige laad- of losruimte wordt voorzien;
b. wordt voldaan aan de voorwaarden en vrijstellingsregels zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de desbetreffende wijzigingen.