ECLI:NL:RVS:2026:1834
Raad van State
- Hoger beroep
- E.J. Daalder
- J.Th. Drop
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag kindgebonden budget wegens overschrijding termijn
De appellant diende een aanvraag in voor kindgebonden budget over 2019, die door de Dienst Toeslagen werd afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke aanvraagtermijn van 1 september 2020. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat artikel 15, eerste lid, van de Awir een dwingendrechtelijke termijn bevat die niet aan het evenredigheidsbeginsel kan worden getoetst.
De appellant voerde in hoger beroep aan dat zij bijzondere omstandigheden had, waaronder het vluchten uit een gewelddadige relatie en het ontbreken van een verblijfsvergunning, waardoor tijdige aanvraag onmogelijk was. Zij stelde dat het niet toekennen van het budget een excessief formalisme betrof en dat het evenredigheidsbeginsel contra-legem toegepast had moeten worden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een harde aanvraagtermijn zonder uitzonderingsmogelijkheid en dat deze niet kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. De bijzondere omstandigheden van de appellant waren volgens de Afdeling niet zodanig dat toepassing van de wettelijke termijn achterwege moest blijven. De Afdeling bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
De uitspraak benadrukt het belang van de wettelijke aanvraagtermijn voor inkomensafhankelijke regelingen en bevestigt dat deze strikt moet worden nageleefd, ook in situaties met persoonlijke moeilijkheden. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de te laat ingediende aanvraag voor kindgebonden budget over 2019.