AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring beroep verblijfsvergunning en terugwijzing zaak
Appellant, een Egyptische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie op 11 april 2025 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep niet-ontvankelijk omdat appellant met onbekende bestemming was vertrokken (MOB-melding) en geen contact meer had met zijn gemachtigde.
Tijdens de procedure herstelde appellant het contact met zijn gemachtigde, wat bij de rechtbank werd gemeld na sluiting van het onderzoek. De rechtbank behandelde het beroep echter niet inhoudelijk en handhaafde de niet-ontvankelijkverklaring.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard zonder het onderzoek te heropenen, nu appellant belang heeft bij voortzetting van de procedure. De Afdeling vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling, waarbij de rechtbank het oordeel van de Afdeling in acht moet nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 16 februari 2026 in zaak nr. NL25.21050 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 11 april 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 16 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.E. Muller, advocaat in Gouda, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Egyptische nationaliteit. Terwijl het beroep tegen het besluit van 11 april 2025 liep, heeft de minister de rechtbank laten weten dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken (MOB-melding).
1.1. De rechtbank heeft de gemachtigde bij brief van 27 januari 2026 verzocht om te laten weten of zij op de hoogte is van de verblijfplaats van appellant en of zij contact met hem heeft over de verdere voortgang van de procedure. De gemachtigde heeft bij brief van 30 januari 2026, en nogmaals bij brief van 5 februari 2026, laten weten dat zij geen contact meer heeft met appellant.
1.2. Bij brief van 9 februari 2026 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft (artikel 8:57 vanPro de Awb), dat zij het onderzoek sluit en dat zij binnen een week na de datum van verzending van deze brief uitspraak doet. Bij brief van 13 februari 2026 heeft de gemachtigde van appellant aan de rechtbank meegedeeld dat zij bericht van appellant heeft ontvangen, dat hij buiten de opvang van het COa verblijft, maar dat hij wel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroepschrift. De rechtbank heeft op 16 februari 2026 uitspraak gedaan en het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Beoordeling grieven
2. De grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van appellant niet-ontvankelijk is. Appellant betoogt dat de rechtbank in de brief van 13 februari 2026 ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om het onderzoek te heropenen en het beroep alsnog inhoudelijk te behandelen.
2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zal de bestuursrechter, in het licht van het fundamentele belang van het recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, voorzichtig moeten omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding. Zolang de gemachtigde contact heeft met een vreemdeling, mag ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling belang heeft bij zijn procedure om een verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, onder 2.7.
2.2. De brief van appellant van 13 februari 2026 is verstuurd na sluiting van het onderzoek. Maar in het licht van de hiervoor onder 2.1 genoemde uitgangspunten betoogt appellant terecht dat de rechtbank in die brief ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om het onderzoek te heropenen met toepassing van artikel 8:68 vanPro de Awb. Uit die brief volgt immers dat het contact is hersteld en dat appellant de procedure wil voortzetten. Dat is voldoende om aan te nemen dat appellant nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde rechtsmiddel.
2.3. De grieven slagen.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk heeft behandeld, wijst de Afdeling de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb). De minister moet de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 16 februari 2026 in zaak nr. NL25.21050;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.