BRS.25.000995
Datum uitspraak: 31 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 10 juli 2025 in zaak nr. NL25.16397 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 11 maart 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 10 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. V.L. van Wieringen, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant komt uit Gambia en heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij door zijn homoseksuele geaardheid niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst. De minister heeft dit niet geloofwaardig geacht. Hij stelt zich op het standpunt dat appellant niet duidelijk genoeg heeft verklaard over de ontdekking van zijn geaardheid, hoe hij hiermee is omgegaan en wat zijn persoonlijke beleving daarvan is. In hoger beroep is in geschil of de rechtbank de minister daarin terecht is gevolgd.
2. Appellant klaagt in de eerste grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij van appellant mag verwachten dat hij goed over zijn gevoelens kan verklaren, omdat hij al enige jaren in Nederland verblijft, heeft verklaard dat hij vrijheid ervaart bij het COC en ook de vrijheid voelt om te zeggen dat hij homoseksueel is. Het enkele feit dat appellant tijdens de gehoren een aantal jaren ouder is en in Europa heeft verbleven, betekent namelijk nog niet dat de minister zonder meer van hem kan verwachten dat hij beter in staat is om te reflecteren op gebeurtenissen in zijn jeugd die te maken hebben met zijn geaardheid. In dit geval heeft appellant verklaard dat hij 12 of 13 jaar oud was toen hij ontdekte dat hij op mannen valt en dat hij 18 jaar oud was tijdens de betrapping die ertoe heeft geleid dat hij Gambia heeft verlaten. Op het moment van het nader gehoor was hij 23 jaar oud. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister niet kenbaar rekening heeft gehouden met de jonge leeftijd waarop appellant zijn geaardheid naar eigen zeggen ontdekte. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraken van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2615, onder 2.1, en van 14 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1100, onder 3.1. De grief slaagt. 3. In de tweede grief klaagt appellant over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij weinig inzicht heeft gegeven in de persoonlijke beleving van zijn seksuele geaardheid en dat de minister van hem heeft mogen verwachten dat hij hierover meer kon verklaren. Zoals appellant terecht betoogt, heeft de minister hem tijdens het nader gehoor geen gerichte vragen gesteld over zijn gevoelens ten aanzien van het ontdekken van zijn seksuele geaardheid toen hij 12 of 13 jaar oud was, terwijl homoseksualiteit taboe is in Gambia, en hoe hij daarmee destijds is omgegaan. Het is echter wel aan de minister om dat soort vragen te stellen. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1885, over de manier van onderzoeken en beoordelen van een gestelde seksuele geaardheid, onder 6.2, waaruit volgt dat de minister tijdens de gehoren zoveel mogelijk open vragen moet stellen en indien nodig ook vervolgvragen ter verduidelijking, aanvulling of bevestiging van gegeven antwoorden. De rechtbank heeft dan ook niet onderkend dat de minister appellant niet conform zijn eigen werkwijze heeft bevraagd en zijn standpunt dat de verklaringen van appellant over zijn seksuele geaardheid ongeloofwaardig zijn, ontoereikend heeft gemotiveerd. Gelet hierop, houdt het standpunt van de minister over de verklaringen van appellant over de gestelde ontmoeting op het strand met een Britse toerist, ook geen stand. De grief slaagt. 4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 11 maart 2025. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit op de asielaanvraag moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 10 juli 2025 in zaak nr. NL25.16397;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 11 maart 2025, V-[…];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026
915