Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:1656

Raad van State

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
BRS.24.000325
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, vierde lid, Vw 2000Art. 5.1b, tweede lid, Vb 2000Art. 6, derde lid, Vw 2000Art. 8:54, eerste lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentie vreemdeling

Betrokkene arriveerde op 4 augustus 2024 op Schiphol met een visum voor kort verblijf en wilde doorreizen naar Italië. De minister van Asiel en Migratie weigerde op 5 augustus 2024 de toegang tot het grondgebied en legde een vrijheidsontnemende maatregel op vanwege een asielaanvraag.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel onevenredig was en dat de minister niet te goeder trouw had gehandeld, mede omdat overdracht aan Italië niet mogelijk was en betrokkene in vrijheid zou moeten worden gesteld. De rechtbank kende ook schadevergoeding toe.

De minister stelde hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank, oordeelde dat de minister terecht een zwaarwegende grond had aangevoerd en dat de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel is rechtmatig en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

BRS.24.000325
Datum uitspraak: 26 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 augustus 2024 in zaak nr. NL24.31027 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 5 augustus 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij mondelinge uitspraak van 13 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 13 augustus 2024 bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. C.E. Stassen-Buijs, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.       Bij ‘circular letter’ van 5 december 2022 en daaropvolgende berichtgeving hebben de Italiaanse autoriteiten te kennen gegeven dat overdrachten aan Italië wegens een gebrek aan opvangfaciliteiten niet mogelijk zijn. Zie daarover de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1654. Deze situatie is sindsdien onveranderd.
Feiten
2.       Betrokkene is op 4 augustus 2024 met een vlucht vanuit Quito, Ecuador, aangekomen op Schiphol. Met een visum voor kort verblijf dat geldig is in het gehele Schengengebied, wilde hij als toerist doorreizen naar Italië. Op 5 augustus 2024 heeft de minister hem de toegang tot het grondgebied geweigerd en hem opgedragen om zich in de lounge op te houden. Op dezelfde dag heeft betrokkene een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft bepaald dat het besluit omtrent de toegangsweigering wordt uitgesteld op grond van artikel 3, vierde lid, van de Vw 2000 en heeft betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000.
De uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank is van oordeel dat de maatregel onevenredig bezwarend is en dat de minister niet te goeder trouw heeft gehandeld door betrokkene zijn vrijheid te ontnemen. Zij acht daarbij van belang dat een overdracht aan Italië vanuit grensdetentie op dit moment niet mogelijk is en dat betrokkene daarom in vrijheid zal worden gesteld als Italië de Dublinclaim accepteert. Verder heeft de minister niet betwist dat er niet voldoende tijd zal zijn om de asielaanvraag van betrokkene inhoudelijk te behandelen in de grensprocedure indien Italië de Dublinclaim niet accepteert. Volgens de rechtbank zou betrokkene dus in beide gevallen feitelijk toegang verkrijgen tot het Schengengebied en in vrijheid moeten worden gesteld, waardoor de grensdetentie vanaf 13 augustus 2025 onrechtmatig is.
Beoordeling van het hoger beroep
4.       De minister betoogt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank zich ten onrechte heeft uitgelaten over de behandeling van de asielaanvraag in de grensprocedure. De rechtbank heeft namelijk ten onrechte aangenomen dat de minister betrokkene bij de Italiaanse autoriteiten heeft geclaimd. De zittingsaantekeningen bieden daarover geen duidelijkheid, maar uit de stukken in het dossier blijkt niet dat betrokkene is geclaimd. Gelet hierop en op het tijdsverloop van de grensprocedure op het moment dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan, bestond ook geen aanleiding voor het oordeel dat de behandeling van de asielaanvraag niet of niet tijdig in de grensprocedure kon plaatsvinden.
4.1.    De grief slaagt.
Conclusie hoger beroep
5.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. Ook toetst zij de rechtmatigheid van de grensdetentie ambtshalve.
Beoordeling van het beroep
6.       Betrokkene betwist alle gronden die aan de vrijheidsontnemende maatregel ten grondslag zijn gelegd. Anders dan betrokkene betoogt, heeft de minister zware grond 3a mogen tegenwerpen. Hij heeft namelijk toegelicht dat betrokkene door het indienen van een asielaanvraag een ander doel heeft beoogd met de inreis dan waar zijn visum voor is bedoeld. Daarmee heeft de minister deze grond van een feitelijk juiste toelichting voorzien. Hetzelfde geldt voor de lichte gronden 4c en 4d. De minister heeft in de maatregel feitelijk juist en nader toegelicht dat betrokkene geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en over onvoldoende middelen van bestaan beschikt, wat maakt dat het onwaarschijnlijk is dat hij zijn eigen uitreis zal kunnen bekostigen.
6.1.    De minister heeft daarom deugdelijk gemotiveerd dat uit deze gronden een significant risico op onderduiken volgt. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000, zijn voldoende gronden aanwezig die de vrijheidsontnemende maatregel kunnen dragen. De beroepsgrond faalt.
7.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het beroep is ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 augustus 2024 in zaak nr. NL24.31027;
III.      verklaart het beroep ongegrond;
IV.      wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026
347-1085