202404909/1/V3.
Datum uitspraak: 23 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 juli 2024 in zaak nr. NL23.35396 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij tussenuitspraak van 26 januari 2024 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen.
Bij uitspraak van 9 juli 2024 heeft de rechtbank het door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak en de tussenuitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. H. Loth, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Betrokkene heeft de Afghaanse nationaliteit. Na de tussenuitspraak van 26 januari 2024, is zijn geboortedatum vastgesteld op [geboortedatum] 2005. Daarmee staat vast dat hij ten tijde van de asielaanvraag, de gehoren en het besluit minderjarig was. De rechtbank heeft het beroep daarom gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Dit wordt in hoger beroep niet bestreden. De rechtbank heeft vervolgens onderzocht of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Zij heeft daarbij eerst geoordeeld dat de toepassing van het verkeerde referentiekader bij de beoordeling in het besluit niet heeft geleid tot een ander resultaat. Zij heeft echter ook geoordeeld dat de minister nader onderzoek moet doen naar de risico’s voor Afghaanse vreemdelingen die uit Europa terugkeren. In hoger beroep komt de minister uitsluitend op tegen dat laatste oordeel en de daaruit voortvloeiende beslissing van de rechtbank om een nieuw besluit te nemen.
2. In de uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, onder 12 tot en met 12.2, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren naar Afghanistan na een verblijf in het Westen, zijn daarom niet aan te merken als groep die een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister betoogt terecht dat hij geen nader onderzoek hoeft te doen naar de risico’s voor Afghaanse vreemdelingen die terugkeren uit Europa. De grief slaagt. 3. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover daarin is bepaald dat de minister nader onderzoek moet doen naar de risico’s voor Afghaanse vreemdelingen die uit Europa terugkeren en op basis daarvan een nieuw besluit moet nemen. Omdat de vernietiging van het besluit van 3 november 2023 in hoger beroep niet in geschil is, blijft die vernietiging in stand. De minister heeft daarbij terecht aangevoerd dat de overige, in hoger beroep niet bestreden overwegingen van de rechtbank aanleiding geven om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De Afdeling zal dat alsnog bepalen (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb). Dit betekent dat het besluit feitelijk blijft gelden. De minister hoeft de proceskosten in hoger beroep niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 juli 2024 in zaak nr. NL23.35396, voor zover de minister daarbij is opgedragen een nieuw besluit te nemen;
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 3 november 2023 in stand blijven.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026
18-1102