ECLI:NL:RVS:2026:1617

Raad van State

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
202305183/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf

Betrokkene had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, die op 10 oktober 2018 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Na bezwaar en nadere motivering bleef het besluit ongewijzigd. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene tegen het besluit van 25 februari 2021 gegrond en vernietigde de besluiten.

De minister van Asiel en Migratie stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl betrokkene incidenteel hoger beroep instelde. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet tot vernietiging leidt, omdat het geen relevante rechtsvragen bevat.

De Afdeling stelde vast dat de minister zich deugdelijk had gemotiveerd dat er geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestaat tussen betrokkene en de referent, waardoor geen belangenafweging hoefde plaats te vinden. Daarom werd het hoger beroep van de minister gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.

Uitspraak

202305183/1/V1.
Datum uitspraak: 20 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1.       de minister van Asiel en Migratie,
2.       [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 juli 2023 in zaak nr. NL21.4019 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 25 februari 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak van de rechtbank van 4 augustus 2021 heeft de staatssecretaris bij besluit van 29 september 2021 dat besluit nader gemotiveerd.
Bij uitspraak van 18 juli 2023 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 25 februari 2021 door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 25 februari 2021 en 29 september 2021 vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.H. van der Linden, advocaat in Almelo, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Incidenteel hoger beroep van betrokkene
1.       Het incidenteel hoger beroep van betrokkene leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Hoger beroep van de minister
2.       De minister klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in het nadeel van betrokkene uitvalt. Gelet op wat de Afdeling in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5 tot en met 5.4, heeft overwogen, slaagt dit betoog. De minister heeft zich in deze zaak deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er tussen betrokkene en referent geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat. In die beoordeling heeft hij alle individuele feiten en omstandigheden van betrokkene en referent betrokken. De minister mocht daarom volstaan met de vaststelling dat er geen hechte persoonlijke banden bestaan. Dat betekent dat hij in dit geval geen belangenafweging hoefde te maken. De vraag of de belangenafweging deugdelijk heeft plaatsgevonden behoeft daarom geen bespreking. De grief slaagt.
Conclusie hoger beroepen
3.       Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is ongegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;
III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 juli 2023 in zaak nr. NL21.4019;
IV.     verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Zwemstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026
91-1151