ECLI:NL:RVS:2026:1512
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- N. Verheij
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering bijzonder ernstig misdrijf
Betrokkene, een Libische nationaliteit, diende in 2018 zijn vierde asielaanvraag in. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af op grond van artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn, omdat betrokkene veroordeeld was tot 24 maanden gevangenisstraf voor drie aanrandingen en een poging tot aanranding, waarbij ook diefstal van een mobiele telefoon plaatsvond.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit van de minister, omdat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat de gepleegde misdrijven als bijzonder ernstig konden worden aangemerkt. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister niet aannemelijk had gemaakt dat de afzonderlijke misdrijven samen één feitencomplex vormden en dat elk misdrijf afzonderlijk bijzonder ernstig was. De Afdeling bevestigde dat het begrip bijzonder ernstig misdrijf strikt moet worden uitgelegd en dat cumulatie van minder ernstige feiten niet tot die kwalificatie leidt.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep van de minister ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.