202500594/1/V3.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 januari 2025 in zaak nr. NL23.39676 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2023, aangevuld bij besluit van 23 september 2024, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 23 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. F.J.E. Hogewind, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister klaagt in zijn eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf, als door het Hof van Justitie uitgelegd in het arrest van 6 juli 2023, M.A., ECLI:EU:C:2023:543, punt 37. Betrokkene is veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden voor straatroof met geweld. Deze straf ligt vier maanden hoger dan de volgens de Oriëntatiepunten straftoemeting (Oriëntatiepunten) gebruikelijke strafmaat voor dit delict. Volgens de minister heeft de rechtbank niet onderkend dat daardoor sprake is van een bijzonder grote verhoging van de gebruikelijke strafmaat.
1.1. Dit betoog slaagt niet. Van een bijzonder ernstig misdrijf als bedoeld in het arrest M.A. is alleen sprake als de specifieke kenmerken van dat misdrijf worden geacht uitzonderlijk ernstig te zijn, in die zin dat het behoort tot de misdrijven die de rechtsorde van de betrokken samenleving het meest aantasten. Uit punt 40 van het arrest M.A. volgt dat voor de beoordeling of sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het betrokken geval. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat gelet op de maximale strafmaat voor het door betrokkene gepleegde delict, minder snel kan worden gesproken van een misdrijf dat behoort tot de categorie misdrijven die de rechtsorde het meest aantasten. Hoewel de minister er terecht op wijst dat de maximale strafmaat geen doorslaggevend criterium is, heeft de rechtbank terecht overwogen dat ook geen sprake is van een straf die in het licht van de gebruikelijke strafmaat bijzonder zwaar is. De strafrechter heeft betrokkene weliswaar veroordeeld tot een hogere gevangenisstraf dan volgens de Oriëntatiepunten gebruikelijk is, maar deze verhoging laat zich verklaren door het feit dat de strafrechter het strafverzwarend heeft geacht dat sprake was van fors geweld met gebruikmaking van wapens, dat het slachtoffer hoofdletsel heeft opgelopen en dat de feiten in vereniging zijn gepleegd. De Afdeling concludeert hieruit dat sprake is van een gebruikelijke strafmaat met inachtneming van de algemene oriëntatiepunten voor strafverzwarende omstandigheden.
1.2. De minister betoogt verder terecht dat uit het hiervoor genoemde arrest M.A. volgt dat de rechtbank daarnaast moet toetsen of de minister alle overige omstandigheden van het delict heeft betrokken bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1177. Dat heeft de rechtbank niet gedaan. Deze klacht is dus terecht voorgedragen, maar de grief leidt in zoverre niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Er zijn verder geen omstandigheden die maken dat sprake is van een straf die in het licht van de gebruikelijke strafmaat bijzonder zwaar is. Omdat de strafverzwarende omstandigheden al zijn verdisconteerd in de daadwerkelijk opgelegde straf, is dit in combinatie met de maximale strafmaat en de overige omstandigheden in dit geval al voldoende voor het oordeel dat het gepleegde delict niet behoort tot de categorie misdrijven die de rechtsorde het meest aantasten. Dit betekent dat, ook als de rechtbank de overige door de minister betrokken omstandigheden van het delict wel bij haar toetsing zou hebben betrokken, zij niet tot de conclusie kon komen dat sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf. Hoewel de Afdeling zich realiseert dat het door betrokkene gepleegde delict ernstig is, wordt in deze zaak niet voldaan aan het criterium om het delict in de juridische zin van het arrest M.A. aan te kunnen merken als bijzonder ernstig. 1.3. De grief faalt. Daarom behoeft de tweede grief van de minister over de vraag of van betrokkene nog een actuele, werkelijke en voldoende bedreiging uitgaat, geen bespreking meer.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
1017