ECLI:NL:RVS:2026:1470

Raad van State

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
202405151/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.28 Vb 2000Art. 3.6ba Vb 2000Art. 3.71 Vb 2000Art. 8:54 AwbArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning minderjarige Surinaamse kinderen

Betrokkenen, minderjarige kinderen met de Surinaamse nationaliteit, verbleven sinds 2017 zonder geldige vergunning bij hun Nederlandse tante, die tevens hun voogd is. Hun aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd werd door de staatssecretaris afgewezen, waarna bezwaar en beroep volgden. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat de kinderen niet of bezwaarlijk door in Suriname wonende familie konden worden verzorgd en dat niet alle relevante belangen waren meegewogen.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat de rechtbank ten onrechte te veel bewijswaarde hechtte aan een medische verklaring over de verzorgingsmogelijkheden van de grootouders en dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom de familie in Suriname wel voor de kinderen kan zorgen. Ook is geoordeeld dat de belangenafweging van de minister, inclusief de situatie van de voogd, adequaat was.

Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hiermee blijft de afwijzing van de verblijfsvergunning in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

202405151/1/V2.
Datum uitspraak: 17 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 19 juli 2024 in zaak nr. NL23.14708 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 7 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 22 april 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. L.E.J. Vleesenbeek, advocaat in Rotterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.       Betrokkenen hebben de Surinaamse nationaliteit en zijn geboren op [geboortedatum] 2010 en [geboortedatum] 2012. Zij zijn dus nog minderjarig. Betrokkenen verblijven sinds oktober 2017 bij hun Nederlandse tante (referent) in Nederland zonder geldige verblijfsvergunning. Referent is sinds 2019 de voogd van betrokkenen. Zij heeft in 2022 voor betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd met als doel "verblijf als familie- of gezinslid" bij haar. De rechtbank heeft overwogen dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkenen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet of bezwaarlijk door in Suriname wonende bloed- of aanverwanten kunnen worden verzorgd, en dat de minister niet alle van belang zijnde feiten en omstandigheden kenbaar bij zijn belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM heeft betrokken.
Mvv-procedure en mvv-vereiste
2.       Referent heeft in een eerdere procedure een mvv aangevraagd voor betrokkenen. De minister heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 28 september 2018, onder andere omdat betrokkenen destijds niet hadden aangetoond dat er voor hen geen aanvaardbare toekomst is in Suriname. Het besluit op de mvv-aanvraag staat in rechte vast. In de huidige procedure zijn betrokkenen vrijgesteld van het mvv-vereiste, op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000.
Eerste grief
3.       De minister klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in het besluit van 22 april 2023 ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkenen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet of bezwaarlijk door in Suriname wonende bloed- of aanverwanten kunnen worden verzorgd.
Toepasselijke wet- en regelgeving
3.1.    Artikel 3.28, eerste lid, van het Vb 2000 geeft de minister de bevoegdheid om een verblijfsvergunning regulier te verlenen aan een minderjarige vreemdeling die in Nederland als pleegkind wil verblijven, als is voldaan aan de daar gestelde vereisten. Een van de vereisten is dat de vreemdeling naar het oordeel van de minister in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft (artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000). Volgens paragraaf B7/3.7.1.1 van de Vc 2000 neemt de minister aan dat voor een kind geen aanvaardbare toekomst is weggelegd in het land van herkomst, als sprake is van zodanige omstandigheden, dat het kind niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd.
Verzorging door in Suriname wonende grootouders
3.2.    In dit geval staat vast dat betrokkenen een oma en opa, twee ooms en een tante hebben die allen in Suriname wonen. Betrokkenen stellen zich echter op het standpunt dat deze familieleden niet of bezwaarlijk voor hen kunnen zorgen. Gelet op de hiervoor onder 3.1. weergegeven regelgeving, is het, zoals ook de rechtbank al heeft overwogen, aan hen om aannemelijk te maken dat zij niet of bezwaarlijk door deze in Suriname wonende familieleden kunnen worden verzorgd.
3.3.    In dat kader hebben betrokkenen een verklaring van de huisarts van hun grootouders, gedateerd 25 mei 2022 en afgegeven in Paramaribo, overgelegd. Daarin heeft deze huisarts verklaard dat de grootvader, geboren in 1943, en de grootmoeder, geboren in 1952, "vanwege hun leeftijd en hun gezondheidstoestand niet (meer) in staat zijn om voor de opvang en verzorging van hun kleinkinderen te zorgen". De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de grootouders nog steeds de zorg voor betrokkenen op zich kunnen nemen, gelet op de leeftijd van de grootouders en de verklaring van de huisarts. Zoals overwogen onder 3, komt de minister tegen dat oordeel op.
3.4.    Naar het oordeel van de Afdeling betoogt de minister terecht dat hij er in het besluit van 22 april 2023 al op heeft gewezen dat uit de verklaring van de huisarts niet blijkt welke gezondheidsproblemen de grootouders hebben en op basis waarvan de huisarts tot zijn conclusie is gekomen dat zij niet (meer) voor betrokkenen zouden kunnen zorgen. De minister heeft er verder terecht op gewezen dat betrokkenen de gestelde gezondheidsproblemen van de grootouders niet met concrete medische bewijsstukken of anderszins aannemelijk hebben gemaakt. De Afdeling stelt vast dat zij dat ook niet in de procedure in beroep en hoger beroep hebben gedaan.
3.5.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, komt er slechts beperkte bewijswaarde toe aan een verklaring van een behandelend arts die een waardeoordeel bevat over de buiten het medische domein liggende mogelijkheden van de patiënt. De redenen hiervoor zijn onder meer dat het bij zo’n verklaring vaak gaat om een belang van de patiënt dat buiten de deskundigheid en verantwoordelijkheid van de arts ligt en een ander doel dient dan behandeling of begeleiding. Dit kan anders zijn als de verklaring behalve waardeoordelen ook feitelijke (medische) gegevens en bevindingen over de gezondheid van de patiënt bevat. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 17 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1383, onder 3.2 en 3.3. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank te veel bewijswaarde heeft toegekend aan de verklaring van de huisarts. Verder is de Afdeling van oordeel dat ook niet uitsluitend op basis van de leeftijd van de grootouders aannemelijk is dat zij de verzorging van betrokkenen niet (meer) op zich zouden kunnen nemen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, maken de leeftijd en de verklaring van de huisarts dus niet dat moet worden geoordeeld dat de minister zijn besluit op dit punt ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het betoog van de minister slaagt daarom in zoverre.
Verzorging door in Suriname wonende ooms en tante
3.6.    De minister betoogt verder terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkenen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet of bezwaarlijk door hun ooms en tante in Suriname kunnen worden verzorgd. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de door de minister aangehaalde uitspraak van 25 februari 2020 in de mvv-procedure van betrokkenen, maakt de omstandigheid dat de ooms en tante geen financiële ruimte zouden hebben om voor betrokkenen te zorgen, niet dat zij - al dan niet met de (financiële) hulp van anderen, zoals referent - niet voor betrokkenen zouden kunnen zorgen. Daarbij wijst de minister er terecht op dat hij de omstandigheden die in de brief van de familieleden van 26 maart 2018 naar voren zijn gebracht, al in de mvv-procedure heeft betrokken en die familieleden, zo staat in de rechtbankuitspraak, niet bereid zijn geweest om een nieuwe brief te schrijven. Nu de minister zijn standpunt in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 7 april 2022 mede daarop heeft gebaseerd, betoogt hij terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij die omstandigheden wel heeft weersproken. Dat de huisvesting van de familieleden in Suriname mogelijk kleiner is dan gebruikelijk naar Nederlandse maatstaven, heeft de minister verder onvoldoende mogen vinden voor de conclusie dat de ooms en tante niet voor betrokkenen kunnen zorgen. Anders dan betrokkenen in hun schriftelijke uiteenzetting betogen, was er voor de minister daarom geen aanleiding om onderzoek te doen naar de opvangmogelijkheden in het land van herkomst.
Conclusie eerste grief
3.7.    De minister betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkenen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de familieleden in Suriname niet of bezwaarlijk voor hen kunnen zorgen. De grief slaagt.
Tweede grief
4.       De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister niet alle van belang zijnde feiten en omstandigheden kenbaar heeft betrokken in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM.
4.1.    De minister betoogt terecht dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat hij de belangen van de kinderen wel bij de belangenafweging heeft betrokken. Hij is in het besluit van 7 april 2022 uitgebreid op deze belangen ingegaan en heeft een aantal omstandigheden in het voordeel van betrokkenen meegewogen. In het nadeel van betrokkenen heeft de minister meegewogen dat de vanaf oktober 2017 ontstane situatie het gevolg is van het illegaal verblijf van betrokkenen. Daarbij wijst de minister erop dat het voor betrokkenen weliswaar belangrijk is om te weten hoe hun toekomst eruitziet, maar dat de onduidelijkheid over hun toekomst in dit geval is ontstaan doordat zij in Nederland zijn gebleven na de ongegrondverklaring van hun hoger beroep op 20 mei 2020. De gevolgen daarvan komen redelijkerwijs voor hun eigen rekening en risico, aldus de minister. Onder verwijzing naar dit standpunt is de minister in het in bezwaar gehandhaafde besluit ook ingegaan op de overige feiten en omstandigheden die betrokkenen naar voren hebben gebracht. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de minister daarbij ten onrechte heeft geconcludeerd dat de weigering van de verblijfsvergunning regulier niet in strijd is met het in artikel 8 van Pro het EVRM neergelegde recht op familie- en gezinsleven van betrokkenen.
Verder betoogt de minister dat de rechtbank hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij heeft nagelaten om het privéleven van referent in de belangenafweging te betrekken. Dit betoog treft doel. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het een eigen keuze van referent is of zij het gezinsleven met betrokkenen in Suriname of op afstand vanuit Nederland wil uitoefenen en dat hij bij de belangenafweging heeft betrokken wat het voor referent zou betekenen wanneer zij ervoor kiest om het gezinsleven met betrokkenen in Suriname uit te oefenen. De grief slaagt.
Conclusie hoger beroep
5.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep tegen het besluit van 22 april 2023
6.       Betrokkenen hebben in beroep betoogd dat de minister in dit geval van zijn beleid in paragraaf B7/3.7.1.1 van de Vc 2000, had moeten afwijken op basis van artikel 4:84 van Pro de Awb. Daarbij had de minister hun op basis van artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb 2000 ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moeten verlenen, aldus betrokkenen.
6.1.    Betrokkenen hebben niet geconcretiseerd welke omstandigheden maken dat het besluit onevenredig is met de doelen waartoe het beleid van de minister dient of geconcretiseerd dat er sprake is van een schrijnende situatie gelegen in een samenstel van bijzondere omstandigheden die binnen dat kader onvoldoende konden worden meegewogen. De minister heeft dan ook niet ten onrechte geen aanleiding gezien om betrokkenen ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een andere beperking te verlenen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie beroep
7.       Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 19 juli 2024 in zaak nr. NL23.14708;
III.      verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Zwinkels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026
309-1113