ECLI:NL:RVS:2026:1387
Raad van State
- Hoger beroep
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- C.C.W. Lange
- J. Luijendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies Nederlanderschap na langdurig verblijf in buitenland en weigering paspoortaanvraag
Appellant, geboren in Turkije en sinds 1995 Nederlander, is in 2005 uitgeschreven uit Nederland en woonde vanaf 2007 onafgebroken in Turkije. Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) verloor hij het Nederlanderschap na tien jaar onafgebroken verblijf in het buitenland met dubbele nationaliteit. De minister weigerde daarom zijn paspoortaanvraag in behandeling te nemen.
De rechtbank oordeelde dat het verlies van het Nederlanderschap op 14 februari 2017 plaatsvond en dat de wijziging van de termijn van tien naar dertien jaar niet met terugwerkende kracht geldt. Ook vond de rechtbank dat de minister een deugdelijke Unierechtelijke evenredigheidstoets had uitgevoerd en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn rechten als Unieburger zou uitoefenen.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn verblijf in België de termijn had onderbroken, dat de wijziging van de termijn meegewogen moest worden, en dat de minister zijn voorlichtingsplicht had geschonden. Tevens voerde hij aan dat de minister geen deugdelijke evenredigheidstoets had uitgevoerd en dat de covid-pandemie zijn situatie rechtvaardigde.
De Afdeling oordeelde dat het verblijf in België niet voldoende was aangetoond om de termijn te onderbreken en dat appellant sinds 2009 in Turkije woonde. De evenredigheidstoets moet plaatsvinden op het moment van verlies van het Nederlanderschap, waarbij appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat hij zijn Unierechten zou uitoefenen. De Afdeling verwierp de overige gronden en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep is ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de paspoortaanvraag bevestigd wegens verlies van het Nederlanderschap.