ECLI:NL:RVS:2026:1355

Raad van State

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
202407015/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervallenverklaring en vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel

Betrokkene, een Afghaanse asielzoeker die sinds 2015 in Nederland verblijft, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 31 juli 2024 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde. Betrokkene stelde incidenteel hoger beroep in.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde vast dat het incidenteel hogerberoepschrift niet aan het dossier was toegevoegd, waardoor de Afdeling niet op het incidenteel hoger beroep had beslist. Daarom verklaarde de Afdeling de uitspraak van 21 januari 2026 vervallen en deed opnieuw uitspraak.

De Afdeling oordeelde dat de minister terecht had betoogd dat vreemdelingen die vrijwillig terugkeren naar Afghanistan na verblijf in het Westen niet automatisch een reëel risico op ernstige schade lopen. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard omdat het geen vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Betrokkene voerde aan dat zijn activiteiten als turnleraar aan vrouwen in Afghanistan en Nederland hem risico's bij terugkeer opleveren, maar de minister had dit niet onterecht ongeloofwaardig geacht en betrokkene had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit tot problemen met de Taliban zou leiden. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, het incidenteel hoger beroep ongegrond en het beroep ongegrond, en vernietigde de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep van de minister gegrond, waarbij de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Uitspraak

202407015/2/V2.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak strekkende tot vervallenverklaring van de uitspraak van 21 januari 2026 in zaak nr. 202407015/1/V2 en het beslissen op de hoger beroepen van:
1.       de minister van Asiel en Migratie,
2.       [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 12 november 2024 in zaak nr. NL24.30787 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 31 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 12 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.J. Paffen, advocaat in Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 21 januari 2026 heeft de Afdeling het hoger beroep van de minister gegrond verklaard, de uitspraak van 12 november 2024 vernietigd, en het beroep ongegrond verklaard.
Na deze uitspraak heeft de Afdeling bij brief van 11 februari 2026 aan partijen te kennen gegeven dat de Afdeling voornemens is om deze uitspraak vervallen te verklaren.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Vervallenverklaring
1.       Na de uitspraak van 21 januari 2026 heeft de gemachtigde van betrokkene de Afdeling telefonisch laten weten dat uit de uitspraak niet blijkt dat de Afdeling op het door betrokkene ingestelde incidenteel hoger beroep heeft beslist. Naar aanleiding hiervan heeft de Afdeling intern onderzoek gedaan. Gebleken is dat het incidenteel hogerberoepschrift wel is ontvangen, maar niet aan het dossier is toegevoegd, waardoor de Afdeling er niet van op de hoogte was dat betrokkene incidenteel hoger beroep had ingesteld. De Afdeling ziet hierin aanleiding om haar uitspraak van 21 januari 2026 vervallen te verklaren en opnieuw uitspraak te doen.
Inleiding
2.       Betrokkene heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij verblijft sinds 2015 in Nederland. Hij heeft aan zijn derde asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij niet naar Afghanistan kan terugkeren wegens de verslechterde veiligheidssituatie daar en de risico’s bij terugkeer uit het Westen en omdat zijn geloof zich sinds de vorige aanvraag heeft verdiept.
Het hoger beroep van de minister
3.       De minister klaagt in zijn enige grief over het oordeel van de rechtbank dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene bij terugkeer in Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade loopt wegens zijn verblijf in het Westen.
3.1.    In de uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, onder 12 tot en met 12.2, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren naar Afghanistan na een verblijf in het Westen, zijn daarom niet aan te merken als groep die een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister betoogt terecht dat hij geen nader onderzoek hoeft te doen naar de risico’s voor Afghaanse vreemdelingen die terugkeren uit Europa. De grief slaagt.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene
4.       Het incidenteel hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het incidenteel hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie hoger beroepen
5.       Het hoger beroep is gegrond. Het incidenteel hoger beroep is ongegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep van betrokkene
6.       Betrokkene betoogt dat de minister de individuele omstandigheden niet in onderlinge samenhang heeft bezien. Hij voert aan dat hij in Afghanistan en Nederland turnles heeft gegeven aan vrouwen en dat hij hierdoor, in combinatie met onder meer zijn langdurige verblijf in het Westen, risico loopt bij terugkeer naar Afghanistan.
6.1.    Dit betoog faalt. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene met de door hem naar voren gebrachte omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Betrokkene was naar eigen zeggen in Afghanistan hoofdtrainer van het Olympisch turnteam van Herat. Maar dat betrokkene in Afghanistan aan een vrouw turnles heeft gegeven, heeft de minister in een eerdere procedure niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Dat betrokkene in Nederland turnles geeft aan vrouwen, heeft de minister niet betwist. Dat neemt echter niet weg dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit in Afghanistan zal leiden tot problemen met de Taliban. De beroepsgrond slaagt niet.
7.       Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 21 januari 2026 in zaak nr. 202407015/1/V2 vervallen;
II.       verklaart het hoger beroep gegrond;
III.      verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;
IV.     vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 12 november 2024 in zaak nr. NL24.30787;
V.      verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
897-1169