AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzoek om wraking afgewezen wegens misbruik van recht door verzoeker
Verzoeker heeft bij e-mail verzocht om wraking van mr. J.F. de Groot als lid van de enkelvoudige kamer die zijn zaak behandelt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 vanPro de Algemene wet bestuursrecht en de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022.
De Afdeling constateert dat verzoeker een patroon van misbruik van recht vertoont, zoals eerder vastgesteld in een uitspraak van 23 juli 2025. In de onderhavige procedure is vastgesteld dat verzoeker hoger beroep heeft ingesteld tegen een uitspraak waartegen geen hoger beroep mogelijk is en zich daarbij beledigend uitliet. Ook in het wrakingsverzoek uit verzoeker zich opnieuw beledigend, niet alleen jegens de gewraakte staatsraad maar ook jegens andere staatsraden en een griffier.
Verder blijkt uit de gang van zaken rondom de zitting van 26 februari 2026 dat verzoeker niet gericht is op rechtsbescherming maar op het verstoren van de procesvoering. Het wrakingsverzoek werd een halfuur voor de zitting ingediend en verzoeker verscheen niet zelf, terwijl hij al een week van tevoren had kunnen weten welke staatsraad de zaak behandelde.
Ten slotte heeft verzoeker het wrakingsverzoek zelf ingediend, terwijl hem door een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant is opgelegd alleen via een advocaat te procederen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Gelet op deze omstandigheden verklaart de Afdeling het wrakingsverzoek buiten behandeling en bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt buiten behandeling gelaten wegens evident misbruik van het wrakingsmiddel en een volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen.
Uitspraak
202504087/3/A3.
Datum beslissing: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
om toepassing van artikel 8:15 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Procesverloop
Bij e-mail, ingekomen op 26 februari 2026, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van mr. J.F. de Groot (de staatsraad) als lid van de enkelvoudige kamer belast met de behandeling van zaak nr. 202504087/2/A3.
Overwegingen
1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 vanPro de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder g, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 (de Wrakingsregeling) kan de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden, beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het evident blijk geeft van misbruik van het wrakingsmiddel.
3. In haar uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3447, heeft de Afdeling overwogen dat zij in het vervolg bij procedures die [verzoeker] bij haar aanhangig maakt, steeds eerst zal onderzoeken of [verzoeker] ook met die nieuwe procedure misbruik van recht maakt.
4. De Afdeling is van oordeel dat [verzoeker] in deze zaak misbruik van recht maakt. Daartoe geldt het volgende. Het wrakingsverzoek past in het in de uitspraak van 23 juli 2025 uitgebreid besproken patroon in het procedeergedrag van [verzoeker]. Daarvoor wijst de Afdeling eerst op het verloop van deze procedure, waarin de Afdeling al eens misbruik van recht heeft vastgesteld. Zaak nr. 202504087/2/A3 waarin [verzoeker] het voorliggende wrakingsverzoek heeft ingediend, betreft een verzet tegen de uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5027. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat [verzoeker] hoger beroep heeft ingesteld tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb, terwijl daar geen hoger beroep tegen kan worden ingesteld. Ook heeft de Afdeling vastgesteld dat [verzoeker] zich in dat hogerberoepschrift op ontoelaatbare manier beledigend uitlaat. De Afdeling heeft daarom misbruik van recht vastgesteld.
5. De uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2025 heeft [verzoeker] er niet van weerhouden om zich in het wrakingsverzoek opnieuw op beledigende manier te uiten. Dit is niet alleen gericht aan de gewraakte staatsraad, maar ook aan staatsraden en een griffier van de Afdeling bestuursrechtspraak die niet betrokken zijn bij de behandeling van zaak nr. 202504087/2/A3.
6. Ook uit de gang van zaken rondom de zitting van 26 februari 2026 in zaak nr. 202504087/2/A3 blijkt dat het [verzoeker] niet gaat om rechtsbescherming, maar om verstoring van de procesvoering. De Afdeling heeft [verzoeker] bij brief van 19 december 2025 uitgenodigd voor de behandeling van zijn verzet op 26 februari 2026 om 15.00 uur. In die brief staat vermeld dat vanaf een week voor de zitting de samenstelling van de behandelende kamer van de Afdeling op de website staat. Op 26 februari 2026 omstreeks 14.30 uur heeft de advocaat van [verzoeker] de Afdeling telefonisch laten weten dat [verzoeker] haar heeft verzocht om niet naar de zitting te komen. Het verzoek om wraking van de staatsraad is om 14.27 uur bij de Afdeling ingekomen. [verzoeker] is zelf niet bij de zitting verschenen. Hij heeft het wrakingsverzoek een halfuur voor de geplande zitting ingediend en zijn advocaat verzocht niet naar de zitting te gaan, terwijl hem - mede gelet op het grote aantal wrakingsprocedures dat hij eerder bij de Afdeling heeft gevoerd - al een week bekend had kunnen en moeten zijn welke staatsraad belast was met de behandeling van zijn verzet.
7. Tot slot heeft [verzoeker] het verzoek om wraking in persoon ingediend, terwijl de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant hem bij vonnis van 4 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5569, heeft veroordeeld om gedurende een aaneengesloten periode van twee jaar bij de Afdeling bestuursrechtspraak uitsluitend bij advocaat te procederen en zich niet anders dan via een advocaat te richten tot de rechtspraak.
8. Omdat [verzoeker] met het verzoek om wraking evident blijkt geeft van misbruik van het wrakingsmiddel, laat de Afdeling op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder g, van de Wrakingsregeling dit verzoek zonder een zitting te houden buiten behandeling. De Afdeling ziet daarnaast aanleiding om op grond van artikel 8:18, vijfde lid, van de Awb te bepalen dat een volgend verzoek om wraking van [verzoeker] in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. laat het verzoek buiten behandeling;
II. bepaalt dat een volgend verzoek van [verzoeker] om wraking in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.