202302677/1/V2.
Datum uitspraak: 5 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 januari 2023, en haar einduitspraak van 20 april 2023, in zaak nr. NL22.22813, in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie
Procesverloop
Bij besluit van 1 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Ook heeft hij ambtshalve geweigerd appellant een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij tussenuitspraak van 25 januari 2023 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen.
Bij brief van 14 februari 2023 heeft de staatssecretaris het besluit nader gemotiveerd.
Bij brief van 7 maart 2023 heeft appellant daarop gereageerd.
Bij uitspraak van 20 april 2023 heeft de rechtbank het tegen het besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. W.P.R. Peeters, advocaat in Rijsbergen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in haar vierde grief terecht dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid. In haar einduitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat de minister dit motiveringsgebrek niet heeft hersteld en het besluit om die reden vernietigd. Zij heeft vervolgens ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten, onder verwijzing naar het standpunt van de minister dat appellant inmiddels meerderjarig is en daarom hoe dan ook niet meer voldoet aan de vereisten voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister niet met deze motivering mocht volstaan. Dat zou er immers toe leiden dat de minister zonder repercussies het onderzoek naar adequate opvang in het land van herkomst achterwege heeft kunnen laten. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, onder 26. 1.1. De grief slaagt.
2. Wat appellant heeft aangevoerd in de overige grieven, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand heeft gelaten. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag van appellant moet nemen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1413, onder 5. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 20 april 2023 in zaak nr. NL22.22813, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 november 2022 in stand heeft gelaten;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026
936-1113