AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing hoger beroep tegen tegemoetkoming kindregeling toeslagenaffaire
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen het besluit van de Dienst Toeslagen om hem een tegemoetkoming van €10.000 toe te kennen op grond van de kindregeling in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Deze regeling voorziet in een forfaitaire tegemoetkoming voor kinderen van gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire, waarbij de hoogte afhankelijk is van de leeftijd op 1 juli 2023. Appellant was toen ouder dan achttien jaar en kreeg daarom het genoemde bedrag toegekend.
Appellant betoogde dat de toegepaste artikelen 2.12, eerste lid, aanhef en onder e, en 9.1, eerste lid, van de Wht in zijn geval buiten toepassing zouden moeten worden gelaten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Hij stelde dat het forfaitaire bedrag geen recht doet aan zijn persoonlijke leed en dat zijn situatie niet aansluit bij de doelgroep waarvoor de regeling is bedoeld. Ook wees hij op het ontbreken van een adequate aanvullende compensatie en op ongelijke behandeling door het uitsluiten van de hardheidsclausule.
De Afdeling bestuursrechtspraak verwees naar eerdere uitspraken waarin deze argumenten reeds zijn behandeld en gemotiveerd verworpen. De Afdeling oordeelde dat de gronden van appellant geen aanleiding geven tot een ander oordeel en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Tevens werd beslist dat de Dienst Toeslagen geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant tegen de toegekende tegemoetkoming van €10.000 wordt ongegrond verklaard en het besluit van de Dienst Toeslagen bevestigd.
Uitspraak
202502084/1/A2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2025 in zaak nr. 24/5936 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 1 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellant] een tegemoetkoming van € 10.000,00 toegekend.
Bij besluit van 21 mei 2024 heeft de Dienst Toeslagen het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. In de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) is een regeling opgenomen voor kinderen van gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire (de kindregeling). Op grond van de kindregeling komen kinderen van gedupeerde ouders onder meer in aanmerking voor een tegemoetkoming. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind op 1 juli 2023. [appellant] was toen ouder dan achttien jaar. De Dienst Toeslagen heeft aan hem daarom op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht een tegemoetkoming van € 10.000,00 toegekend. De Dienst Toeslagen heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd.
Hoger beroep
2. [appellant] betoogt dat artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht - waaruit de hoogte van de tegemoetkoming volgt - en artikel 9.1, eerste lid, van de Wht - waarin een hardheidsclausule is opgenomen - wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel in zijn geval buiten toepassing zouden moeten worden gelaten. Met het toekennen van het forfaitaire bedrag van € 10.000,00 wordt namelijk geen recht gedaan aan het leed dat hij heeft ondergaan. Ook sluit zijn situatie niet aan bij die van de kinderen die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de kindregeling. Verder biedt de route voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade geen toereikende oplossing, omdat daarbij ook alleen een forfaitair bedrag wordt toegekend. Bovendien hebben zich na de totstandkoming van de Wht omstandigheden voorgedaan die niet in de kindregeling zijn verdisconteerd. Verder leidt volgens [appellant] de beslissing van de wetgever om de hardheidsclausule niet van toepassing te laten zijn op artikel 2.12 van de Wht tot ongelijke behandeling en onrechtvaardige uitkomsten. [appellant] betoogt verder dat de Dienst Toeslagen het persoonlijk dossier van zijn ouders had moeten verstrekken. Er is weliswaar geen wettelijke grondslag voor het verstrekken van het persoonlijk dossier, maar de staatssecretaris van Financiën -Toeslagen en Douane heeft toegezegd dat dit dossier op verzoek beschikbaar gesteld zal worden.
2.1. De gronden die [appellant] aanvoert zijn identiek aan de gronden die zijn gemachtigde heeft aangevoerd in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2993, ECLI:NL:RVS:2025:2996 en ECLI:NL:RVS:2025:2999. In de overwegingen 7 tot en met 9.3 is de Afdeling gemotiveerd op die gronden ingegaan. Wat [appellant] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
4. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.