AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing hoger beroep tegen tegemoetkoming kindregeling toeslagenaffaire
De appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin hem een tegemoetkoming van €10.000 is toegekend op grond van de kindregeling in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Deze regeling voorziet in een forfaitaire tegemoetkoming voor kinderen van gedupeerde ouders, afhankelijk van hun leeftijd op 1 juli 2023.
De appellant betoogde dat de toegewezen forfaitaire tegemoetkoming geen recht doet aan het door hem geleden leed en dat zijn situatie niet aansluit bij de kinderen die bij de regeling betrokken waren. Tevens stelde hij dat de hardheidsclausule niet toegepast mocht worden, dat de bezwaarprocedure daardoor inhoudloos werd en dat het persoonlijk dossier van zijn ouders had moeten worden verstrekt.
De Afdeling bestuursrechtspraak verwijst naar eerdere uitspraken waarin soortgelijke gronden zijn behandeld en oordeelt dat deze argumenten geen aanleiding geven tot een ander oordeel. De Afdeling bevestigt daarom het vonnis van de rechtbank dat het hoger beroep ongegrond is en dat de Dienst Toeslagen geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de forfaitaire tegemoetkoming van €10.000 wordt gehandhaafd.
Uitspraak
202500220/1/A2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 november 2025 in zaak nr. 23/3516 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 8 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellant] een tegemoetkoming van € 10.000,00 toegekend.
Bij besluit van 8 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. In de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) is een regeling opgenomen voor kinderen van gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire (de kindregeling). Op grond van de kindregeling komen kinderen van gedupeerde ouders onder meer in aanmerking voor een tegemoetkoming. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind op 1 juli 2023. [appellant] was toen ouder dan achttien jaar. De Dienst Toeslagen heeft aan hem daarom op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht een tegemoetkoming van € 10.000,00 toegekend. De Dienst Toeslagen heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd.
Hoger beroep
2. [appellant] betoogt dat artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht - waaruit de hoogte van de tegemoetkoming volgt - en artikel 9.1, eerste lid, van de Wht - waarin een hardheidsclausule is opgenomen - wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel in zijn geval buiten toepassing zouden moeten worden gelaten. Met het toekennen van het forfaitaire bedrag van € 10.000,00 wordt namelijk geen recht gedaan aan het leed dat hij heeft ondergaan. Ook sluit zijn situatie niet aan bij die van de kinderen die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de kindregeling. Verder biedt de route voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade geen toereikende oplossing, omdat daarbij ook alleen een forfaitair bedrag wordt toegekend. Bovendien hebben zich na de totstandkoming van de Wht omstandigheden voorgedaan die niet in de kindregeling zijn verdisconteerd. Dat de Dienst Toeslagen niet kan afwijken van de hoogte van de tegemoetkoming op basis van de door hem aangevoerde persoonlijke en/of bijzondere omstandigheden leidt er bovendien toe dat de bezwaarprocedure inhoudloos wordt. Verder leidt volgens [appellant] de beslissing van de wetgever om de hardheidsclausule niet van toepassing te laten zijn op artikel 2.12 van de Wht tot ongelijke behandeling en onrechtvaardige uitkomsten. [appellant] betoogt verder dat de Dienst Toeslagen het persoonlijk dossier van zijn ouders had moeten verstrekken. Er is weliswaar geen wettelijke grondslag voor het verstrekken van het persoonlijk dossier, maar de staatssecretaris van Financiën -Toeslagen en Douane heeft toegezegd dat dit dossier op verzoek beschikbaar gesteld zal worden.
2.1. De gronden die [appellant] aanvoert zijn gelijk aan de gronden die zijn gemachtigde heeft aangevoerd in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2993, ECLI:NL:RVS:2025:2996 en ECLI:NL:RVS:2025:2999. In de overwegingen 7 tot en met 9.3 is de Afdeling gemotiveerd op die gronden ingegaan. Wat [appellant] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
4. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.