AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging toekenning tegemoetkoming kindregeling toeslagenaffaire ondanks beroep op evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de beslissing van de Dienst Toeslagen om hem een tegemoetkoming van €6.000 toe te kennen op grond van de kindregeling in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Deze regeling voorziet in een forfaitaire tegemoetkoming voor kinderen van gedupeerde ouders, afhankelijk van hun leeftijd op 1 juli 2023.
De appellant voerde aan dat de toegewezen forfaitaire tegemoetkoming geen recht doet aan het persoonlijke leed dat hij heeft geleden en dat de hardheidsclausule in de Wht ten onrechte niet op zijn situatie van toepassing is, wat leidt tot ongelijke en onrechtvaardige behandeling. Hij stelde dat de artikelen 2.12 en 9.1 van de Wht in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
De Raad van State verwijst naar eerdere uitspraken waarin deze gronden reeds zijn behandeld en gemotiveerd verworpen. De Afdeling oordeelt dat de aangevoerde bezwaren geen aanleiding geven om in dit geval anders te beslissen en verklaart het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van een tegemoetkoming van €6.000 wordt bevestigd.
Uitspraak
202407449/1/A2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 november 2024 in zaak nr. 23/7153 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 17 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellant] een tegemoetkoming van € 6.000,00 toegekend.
Bij besluit van 18 september 2023 heeft de Dienst Toeslagen het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. In de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) is een regeling opgenomen voor kinderen van gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire (de kindregeling). Op grond van de kindregeling komen kinderen van gedupeerde ouders onder meer in aanmerking voor een tegemoetkoming. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind op 1 juli 2023. [appellant] was toen veertien jaar oud. De Dienst Toeslagen heeft aan hem daarom op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wht een tegemoetkoming van € 6.000,00 toegekend. De Dienst Toeslagen heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd.
Hoger beroep
2. [appellant] betoogt dat artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wht - waaruit de hoogte van de tegemoetkoming volgt - en artikel 9.1, eerste lid, van de Wht - waarin een hardheidsclausule is opgenomen - wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel in zijn geval buiten toepassing zouden moeten worden gelaten. Met het toekennen van het forfaitaire bedrag van € 6.000,00 wordt namelijk geen recht gedaan aan het leed dat hij heeft ondergaan. Bovendien hebben zich na de totstandkoming van de Wht omstandigheden voorgedaan die niet in de kindregeling zijn verdisconteerd. Verder leidt volgens [appellant] de beslissing van de wetgever om de hardheidsclausule niet van toepassing te laten zijn op artikel 2.12 van de Wht tot ongelijke behandeling en onrechtvaardige uitkomsten.
2.1. De gronden die [appellant] aanvoert zijn identiek aan de gronden die zijn gemachtigde heeft aangevoerd in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2993, ECLI:NL:RVS:2025:2996 en ECLI:NL:RVS:2025:2999. In de overwegingen 7 tot en met 8.2 is de Afdeling gemotiveerd op die gronden ingegaan. Wat [appellant] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
4. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.