ECLI:NL:RVS:2026:1155

Raad van State

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
BRS.25.001106
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 5.1a Vb 2000Art. 5.1b Vb 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake bewaring vreemdeling Montenegrijnse nationaliteit

Betrokkene, een vreemdeling met de Montenegrijnse nationaliteit, werd op 4 augustus 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van meerdere zware en lichte gronden uit het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, hief de bewaring op en kende schadevergoeding toe.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat een feitelijke vaststelling van een zware grond niet volstaat voor individuele motivering van de bewaring. De minister had terecht feitelijke toelichtingen gegeven die voldoende waren toegespitst op de situatie van betrokkene, met name over het ontbreken van documenten en het niet naleven van een terugkeerbesluit.

Betrokkene voerde in beroep aan dat de minister onvoldoende voortvarend was geweest en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. Deze gronden werden verworpen omdat de minister tijdig handelde en het risico op onttrekking aan het toezicht niet werd weggenomen door de verklaringen van betrokkene. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, maar verklaarde het beroep alsnog ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: De bewaring van betrokkene wordt geacht rechtmatig en gemotiveerd, het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

BRS.25.001106
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 15 augustus 2025 in zaak nr. NL25.36212 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 4 augustus 2025 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 15 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat in Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Feiten
1.        Betrokkene heeft de Montenegrijnse nationaliteit. De minister had betrokkene op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Aan de maatregel van bewaring had de minister de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3d en de lichte gronden 4c en 4d uit artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000 ten grondslag gelegd. Betrokkene heeft deze gronden in beroep niet betwist.
Het hoger beroep van de minister en het oordeel van de Afdeling
De eerste grief
2.        De minister klaagt terecht over het oordeel van de rechtbank dat een feitelijke vaststelling van een zware grond uit artikel 5.1b, derde lid, van het Vb 2000 niet kan volstaan om een maatregel van bewaring te rechtvaardigen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan ook met een feitelijke vaststelling worden voldaan aan het vereiste van individueel motiveren. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5663, onder 2.
2.1.        De grief slaagt.
De tweede grief
3.        De minister klaagt ook terecht over het oordeel van de rechtbank dat de motivering in de maatregel van bewaring onvoldoende is toegespitst op de concrete situatie van betrokkene en dat de minister onvoldoende heeft toegelicht waarom uit de gronden een risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht zou volgen.
3.1.        Op grond van artikel 5.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 en artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000 bestaat er een risico dat een vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken wanneer ten minste twee gronden zich voordoen. De minister heeft in het geval van betrokkene al mogen volstaan met de zware grond 3a en 3c.
3.1.1.        Wat betreft de zware grond 3a, heeft de minister terecht vastgesteld dat deze grond op betrokkene van toepassing is door feitelijk toe te lichten dat betrokkene geen document ter staving van zijn gestelde identiteit en nationaliteit heeft kunnen overleggen, waaraan het vermoeden kan worden verbonden dat betrokkene niet op voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd en niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de verblijfsduur.
3.1.2.        Wat betreft de zware grond 3c, heeft de minister terecht vastgesteld dat deze grond op betrokkene van toepassing is door feitelijk toe te lichten dat hij op 6 mei 2025 een terugkeerbesluit heeft genomen en dat betrokkene zich niet heeft gehouden aan de daaruit volgende vertrekplicht. Betrokkene is namelijk op 4 augustus 2025 strafrechtelijk aangehouden en vervolgens opgehouden door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de verklaring van betrokkene tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling dat hij niet gelijk terug kon keren, omdat hij verplichtingen had in Nederland, hij bij een vriend verbleef en genoodzaakt was om daar wat langer te blijven, niet van belang. Deze verklaring neemt de feitelijke juistheid van de zware grond 3c immers niet weg. Anders dan de rechtbank heeft overwogen en zoals de minister terecht aanvoert, was het niet aan de minister om betrokkene hierover nadere vragen te stellen. Het is immers aan betrokkene om gemotiveerd te betwisten dat de feitelijke toelichting op grond 3c juist is of om aan te voeren dat deze grond in zijn geval niet van belang is voor het aannemen van een onttrekkingsrisico.
3.2.        Anders dan uit de uitspraak van de rechtbank volgt, heeft de minister bij deze gronden dus mogen volstaan met deze feitelijke toelichtingen en heeft de minister zijn motivering voldoende op betrokkene toegespitst. De minister heeft hiermee deugdelijk gemotiveerd dat uit deze gronden in beginsel een risico op onderduiken volgt. De andere gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, behoeven daarom geen bespreking.
3.3.        De grief slaagt.
Conclusie hoger beroep
4.        Het hoger beroep van de minister is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen de beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep
5.        Betrokkene voert in zijn eerste beroepsgrond tevergeefs aan dat de minister onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting heeft gewerkt. Volgens betrokkene heeft de minister pas op 14 augustus 2025 een aanvraag voor een laissez-passer (een lp-aanvraag) verstuurd naar de Directie Internationale Aangelegenheden van de Dienst Terugkeer en Vertrek. De minister heeft echter tijdens de zitting bij de rechtbank toegelicht dat hij op 6 augustus 2025 al een lp-aanvraag heeft verzonden aan deze Directie en op 7 augustus 2025 aan de Montenegrijnse autoriteiten. Dit heeft betrokkene verder niet betwist. Daarnaast heeft de minister toegelicht dat hij diezelfde dag met betrokkene een vertrekgesprek heeft gehouden. De minister heeft dus op de derde en vierde dag handelingen verricht die waren gericht op de uitzetting van betrokkene. Hiermee heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
6.        In zijn tweede beroepsgrond voert betrokkene tevergeefs aan dat de minister ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast. Hoewel betrokkene betoogt dat hij meewerkt aan zijn uitzetting en dat hij heeft verklaard terug te willen keren naar Montenegro, nemen deze omstandigheden het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht, dat volgt uit de zware gronden 3a en 3c, niet weg. Verder heeft betrokkene met alleen deze verklaring zijn vertrekwens niet geconcretiseerd. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2788, onder 12.1. De minister heeft tijdens de zitting bij de rechtbank toegelicht dat hij twee keer een terugkeerbesluit heeft genomen, maar dat betrokkene niet aan zijn vertrekplicht heeft voldaan. Dit heeft betrokkene niet weersproken. Deze omstandigheden doen afbreuk aan de gestelde bereidheid van betrokkene om zelfstandig te vertrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie beroep
7.        Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 15 augustus 2025 in zaak nr. NL25.36212;
III.        verklaart het beroep ongegrond;
IV.        wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
644-1073