AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening handhaving Wet natuurbescherming tegen GEM
De stichting Flora & Faunabescherming verzocht het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland om handhavend op te treden tegen GEM vanwege vermeende overtredingen van verleende ontheffingen en de Wet natuurbescherming. Het college wees dit verzoek in 2019 af, waarna de stichting bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep in 2021 ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep in 2025 gegrond en vernietigde het besluit van het college.
Na een nieuw besluit van het college in juli 2025, waarin het bezwaar van de stichting werd gegrond verklaard maar werd afgezien van handhavend optreden, stelde de stichting opnieuw beroep in en verzocht zij om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 12 februari 2026 en concludeerde dat er weliswaar sprake is van een spoedeisend belang, maar dat het verzoek te verstrekkend is.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het aan het college is om te beoordelen of handhaving noodzakelijk is, waarbij belangen van GEM en natuurbelangen moeten worden afgewogen. Er is onvoldoende vastgesteld dat GEM in strijd handelt met de Wet natuurbescherming, zodat het verzoek om het college te verplichten handhavend op te treden wordt afgewezen. De uitspraak is een voorlopige voorziening en bindt niet in de bodemprocedure.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot handhavend optreden tegen GEM wordt afgewezen.
Uitspraak
202506025/2/R2.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
Stichting Flora & Faunabescherming (hierna: de stichting), gevestigd in Weesp,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank NoordHolland van 27 november 2025 in zaak nr. 25/3908 in het geding tussen:
de stichting
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college).
Procesverloop
Bij besluit van 13 september 2019 heeft het college het verzoek om handhavend optreden van 19 juli 2019 van de stichting tegen verschillende handelingen die volgens haar in strijd met verleende ontheffingen en de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn, afgewezen.
Bij besluit van 3 april 2020 heeft het college het daartegen gerichte bezwaar van de stichting ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 maart 2021 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard voor zover dat gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek.
Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 9 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1573, heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, het hoger beroep van de stichting gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, vernietigd, het besluit van het college van 3 april 2020 vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van de stichting tegen het afwijzen van het handhavingsverzoek ongegrond is verklaard en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van de stichting te nemen.
Bij besluit van 31 juli 2025 heeft het college opnieuw op het bezwaar van de stichting beslist, het bezwaar van de stichting gegrond verklaard maar afgezien van handhavend optreden.
Bij uitspraak van 27 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechtbank), voor zover van belang, het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze laatste uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld. GEM Bloemendalerpolder C.V. (hierna: GEM) heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
De stichting heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De stichting, GEM en het college hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 februari 2026, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Sassen, ing. J.E. Benz, B.P. Brussel en K. Kimsma, zijn verschenen. Voorts is ter zitting GEM, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde C], als partij gehoord.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep is het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 bepalend.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
3. In deze procedure gaat het om een verzoek van de stichting om handhavend op te treden tegen GEM, omdat zij volgens de stichting in strijd handelt met verleende Wnb-ontheffingen en de Wnb. Voor de voorgeschiedenis, de beschrijving van de verleende ontheffingen en de weergave van de handhavingsprocedure verwijst de voorzieningenrechter kortheidshalve naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 9 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1573). In deze uitspraak heeft de Afdeling gebreken geconstateerd in het besluit van 3 april 2020 op de onderdelen "omvang en draagkracht compensatiegebied", "opzettelijk doden van rugstreeppadden in de woonwijk" en "beheerwerkzaamheden". Zoals hierboven weergegeven heeft het college in het besluit van 31 juli 2025 opnieuw op de bezwaren van de stichting over deze onderdelen beslist en opnieuw afgezien van handhavend optreden.
4. De stichting heeft hoger beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om de uitspraak van de rechtbank te schorsen en om het college op te dragen om GEM te verplichten om 1) de al in 2019, 2023 en 2024 onttrokken gebieden weer open te stellen voor de diersoorten (door het verwijderen van de faunaschermen), voor zover deze gebieden niet zijn bebouwd of benut voor de ontsluitingsweg; 2) per direct passende maatregelen te laten treffen om te voorkomen dat rugstreeppadden in de woonwijk in trottoir- en straatkolken terecht komen, en 3) overtredingen in het kader van beheerwerkzaamheden te beëindigen en te laten voorkomen.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat, zoals het college en GEM hebben betoogd, geen spoedeisend belang bij het verzoek bestaat. De voorzieningenrechter acht hiervoor onder meer van belang dat op de zitting is toegelicht dat nog niet in alle straat- en trottoirkolken uitklimvoorzieningen zijn aangebracht en dat de beheerwerkzaamheden gedurende het hele jaar plaatsvinden. Ook is op de zitting gebleken dat enkele stroken aan de noordzijde van het onttrokken gebied nog niet zijn voorbelast met zand.
Beoordeling
6. Het verzoek wordt afgewezen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de stichting niet gebaat is bij uitsluitend schorsing van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar in stand gelaten. De enkele schorsing van die uitspraak betekent niet dat het college alsnog handhavend moet gaan optreden. Op het punt dat de stichting verzoekt om het college bij voorlopige voorziening op te leggen dat het handhavend optreedt tegen GEM, acht de voorzieningenrechter toekenning van het verzoek te verstrekkend. Weliswaar begrijpt de voorzieningenrechter de zorgen van de stichting voor het welzijn van beschermde diersoorten, maar het is in eerste instantie aan het college om te beoordelen of handhaving aangewezen is of dat daarvan moet worden afgezien na weging van de belangen van GEM en de belangen die worden gediend met handhavend optreden (de natuurbelangen). Op dit moment staat niet vast dat GEM in strijd handelt met de verleende Wnb-ontheffingen en de Wnb. Die vraag komt in de bodemprocedure aan de orde. Het ligt niet in de rede dat de voorzieningenrechter nu, vooruitlopend op de behandeling van de rechtsvragen in de bodemprocedure, al een voorziening treft die ertoe strekt dat het college wordt verplicht om handhavend op te treden.
Conclusie
7. Het verzoek wordt afgewezen.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Engelen, griffier.