ECLI:NL:RVS:2025:840
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over afgeleid verblijfsrecht partner Unieburger met dubbele nationaliteit
De zaak betreft een vreemdeling met de Cubaanse nationaliteit die verblijf vraagt op grond van het Unierecht bij haar echtgenoot, die zowel de Nederlandse als Tsjechische nationaliteit bezit. De vreemdeling en haar echtgenoot hebben samen in Tsjechië gewoond en zijn daar getrouwd. De minister wees de aanvraag voor een verblijfsdocument af, waarna de rechtbank dit besluit vernietigde en de minister opdroeg het document te verstrekken.
De Raad van State stelt vast dat de situatie binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, omdat de echtgenoot als Unieburger met dubbele nationaliteit rechten kan ontlenen aan artikel 21 VWEU Pro. Dit betekent dat hij recht heeft om vergezeld te worden door zijn partner bij terugkeer naar Nederland, mits het gezinsleven in Tsjechië is opgebouwd of bestendigd.
De Raad wijst echter op het feit dat het aan de minister is om te beoordelen of aan de vereisten van de Verblijfsrichtlijn, die naar analogie van toepassing is, wordt voldaan. De rechtbank is ten onrechte zelf tot een oordeel gekomen en de minister opgedragen het verblijfsdocument te verstrekken. Daarom wordt het hoger beroep van de minister gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het de verstrekking van het document betreft, en moet de minister een nieuw besluit nemen op het bezwaar.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de verstrekking van het verblijfsdocument betreft.