ECLI:NL:RVS:2025:834

Raad van State

Datum uitspraak
6 maart 2025
Publicatiedatum
4 maart 2025
Zaaknummer
BRS.24.000487
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling in hoger beroep

De minister van Asiel en Migratie legde op 13 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De rechtbank Den Haag verklaarde het tegen deze maatregel ingestelde beroep op 12 december 2024 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze afdeling oordeelde op 6 maart 2025 dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, mede omdat soortgelijke kwesties reeds recentelijk zijn behandeld.

De Afdeling zag geen aanleiding om het eerdere oordeel te wijzigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd geoordeeld dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. Hiermee blijft de vrijheidsontnemende maatregel onverminderd van kracht.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel blijft gehandhaafd.

Uitspraak

BRS.24.000487
Datum uitspraak: 6 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 december 2024 in zaak nr. NL24.46814 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 12 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.K.E. van den Heuvel, advocaat in Made, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, onder 4 tot en met 4.4.2, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789, onder 3 tot en met 3.7.2, over de detentieomstandigheden in het Justitieel Complex Schiphol). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2025
1020