ECLI:NL:RVS:2025:826
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag bij besluit van 13 december 2024 niet in behandeling. Hiertegen stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 5 februari 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde bij ordemaatregel dat een voorgenomen overdracht op 6 februari 2025 achterwege bleef. Bij de uitspraak van 3 maart 2025 oordeelde de Raad van State dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank, omdat deze terecht en op goede gronden tot haar oordeel was gekomen. De motivering van de rechtbank werd overgenomen, en het hogerberoepschrift bevatte geen nieuwe vragen die beantwoord moesten worden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd, en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd in het openbaar gedaan door voorzieningenrechter C.J. Borman, in aanwezigheid van griffier A.M. van Meurs-Heuvel.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.