ECLI:NL:RVS:2025:6424
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bewaring en toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige inbewaringstelling
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 26 november 2025 in bewaring. Appellant maakte bezwaar tegen deze maatregel en stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat appellant niet tijdig en op juiste wijze is gehoord, omdat de rechtbank volstond met een telefonische verbinding, terwijl volgens vaste jurisprudentie een telefonische hoorzitting onvoldoende is. Hierdoor is de inbewaringstelling vanaf 11 december 2025 onrechtmatig.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond, en bepaalde dat de bewaring met ingang van 31 december 2025 wordt opgeheven. Tevens werd aan appellant een schadevergoeding van € 2.100 toegekend over de periode van 11 tot en met 31 december 2025. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 2.721, toe te rekenen aan rechtsbijstand.
Uitkomst: De bewaring wordt opgeheven en appellant krijgt een schadevergoeding toegekend wegens onrechtmatige inbewaringstelling.