BRS.25.002712
Datum uitspraak: 31 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 december 2025 in zaak nr. NL25.58190 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 november 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 22 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J. Singh, advocaat in Hoofddorp, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in zijn eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat zij hem tijdig ter zitting heeft gehoord. Uit artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000, volgt dat de zitting uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift plaatsvindt. De rechtbank roept de vreemdeling ingevolge die bepaling op om in persoon dan wel in persoon bij raadsman en de minister om bij gemachtigde te verschijnen, teneinde te worden gehoord.
1.1. De rechtbank heeft appellant op 10 december 2025, de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift, via een audioverbinding gehoord. De Afdeling leidt hieruit af dat appellant via een telefonische verbinding is gehoord. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:86, onder 3.8, volgt dat niet kan worden volstaan met het horen of het aanvangen van het horen via een telefonische verbinding. De inbewaringstelling is vanaf 11 december 2025 onrechtmatig. De grief slaagt. 2. De tweede grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring vanaf een eerder moment dan 11 december 2025 onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring wordt opgeheven met ingang van vandaag. Ook heeft appellant recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan appellant toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 december 2025 in zaak nr. NL25.58190;
I. verklaart het beroep gegrond;
II. bepaalt dat de maatregel van bewaring met ingang van vandaag wordt opgeheven;
III. kent aan appellant een vergoeding toe van € 2.100,00 over de periode van 11 december 2025 tot en met 31 december 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. de Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025
981-