ECLI:NL:RVS:2025:6362

Raad van State

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
202303687/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vergunningverlening voor openbreken en wijzigen van openbare weg in Ter Apel

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de Vereniging van Eigenaars van Het Tramhuys tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. De rechtbank had eerder geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders van Westerwolde ten onrechte een vergunning had verleend voor het openbreken en wijzigen van een gedeelte van de openbare weg, omdat er al van rechtswege een vergunning was ontstaan door het niet tijdig beslissen op de aanvraag van [vergunninghoudster]. De VVE had bezwaar gemaakt tegen de vergunning, omdat zij van mening was dat het college niet bevoegd was om deze te verlenen. De rechtbank verklaarde het bezwaar van de VVE gegrond en vernietigde de vergunning, maar liet de rechtsgevolgen in stand.

In hoger beroep betoogde de VVE dat de rechtbank zich ten onrechte bevoegd had geacht om het beroep tegen de vergunning van rechtswege te behandelen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank inderdaad onbevoegd was en dat het bezwaarschrift van de VVE tegen de vergunning van rechtswege teruggestuurd moest worden naar het college voor behandeling. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking had op de vergunning van rechtswege en verklaarde de rechtbank onbevoegd om van het bezwaar kennis te nemen. Tevens werd de Staat der Nederlanden veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitspraak

202303687/1/A3.
Datum uitspraak: 24 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Vereniging van Eigenaars van Het Tramhuys, gevestigd in Ter Apel, gemeente Westerwolde (hierna: de VVE),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Nederland van 2 mei 2023 in zaken nrs. 21/2103 en 21/3106 in het geding tussen:
de VVE
en
het college van burgemeester en wethouders van Westerwolde.
Procesverloop
Bij besluit van 3 maart 2021 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het openbreken en wijzigen van een gedeelte van de openbare weg.
Bij besluit van 24 juni 2021 heeft het college het door de VVE daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.
Bij brief van 15 juli 2021 heeft het college aan [vergunninghoudster] bericht dat zij beschikt over een vergunning van rechtswege. Het college heeft deze vergunning op 16 juli 2021 bekendgemaakt.
Het college heeft het op 22 augustus 2021 door de VVE tegen de van rechtswege verleende vergunning ingediende bezwaarschrift ter behandeling aan de rechtbank doorgezonden.
Bij uitspraak van 2 mei 2023 heeft de rechtbank het door de VVE ingestelde beroep tegen het besluit van 24 juni 2021 gegrond verklaard, het besluit van 24 juni 2021 en de op 16 juli 2021 bekendgemaakte vergunning van rechtswege vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft de VVE hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 oktober 2025, waar de VVE, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Timmer, advocaat in Groningen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [vergunninghoudster] heeft in de jaren 2015 tot en met 2018 een uitbouw gerealiseerd aan de horecagelegenheid ‘[naam]’ aan de [locatie] in Ter Apel. Bij brief van 3 september 2019 heeft zij een ontheffing aangevraagd op grond van artikel 2:11 van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: APV) voor het openbreken en wijzigen van een gedeelte van de openbare weg, om de reeds voltooide werkzaamheden te legaliseren. Bij besluit van 3 maart 2021 heeft het college de vergunning verleend. De VVE treedt op namens de bewoners van het Tramhuys, gelegen aan de overzijde van de Hoofdstraat. De VVE heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende vergunning. Volgens de VVE was het college niet bevoegd om de vergunning te verlenen, omdat door het overschrijden van de beslistermijn al van rechtswege een vergunning was ontstaan. Bij besluit van 24 juni 2021 heeft het college dat bezwaar gegrond verklaard. Vervolgens heeft het college bij brief van 15 juli 2021 aan [vergunninghoudster] laten weten dat zij een vergunning van rechtswege heeft. Het college heeft het bezwaar van de VVE tegen die vergunning van rechtswege bij brief van 20 september 2021 doorgezonden aan de rechtbank als onderdeel van het aanhangige beroep tegen het besluit van 24 juni 2021.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat tegen de van rechtswege verleende vergunning beroep open staat. Daartoe heeft zij overwogen dat het besluit van het college van 24 juni 2021 en de vergunning van rechtswege samenstellende bestanddelen zijn van het in heroverweging genomen besluit op het bezwaarschrift van de VVE tegen het besluit van 3 maart 2021.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college ten onrechte de op 3 maart 2021 verleende vergunning niet heeft herroepen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college niet bevoegd was om de vergunning te verlenen omdat al een vergunning van rechtswege was ontstaan.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de VVE ten onrechte niet heeft gehoord in haar bezwaar, omdat het college er niet zonder meer vanuit mocht gaan dat de VVE met de gegrondverklaring van het bezwaar geen belang meer zou hebben bij het horen. De rechtbank heeft daarom het besluit van 24 juli 2021 vernietigd. Omdat het college wel terecht het bezwaar gegrond heeft verklaard en de vergunning van rechtswege heeft bekendgemaakt, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.
Hoger beroep
3.       De VVE betoogt dat de rechtbank zich ten onrechte bevoegd heeft geacht om een beroep tegen de vergunning van rechtswege te behandelen. Volgens de VVE heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het beroep tegen het besluit van 3 maart 2021 mede betrekking had op het beroep tegen de vergunning van rechtswege. Volgens de VVE had de rechtbank het bezwaarschrift aan het college moeten terugzenden. De VVE voert aan dat de rechtbank de bezwaarprocedure ten onrechte heeft overgeslagen door het bezwaarschrift te behandelen als een beroep.
Daarnaast voert de VVE aan dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 24 juni 2021 in stand heeft gelaten.
Wettelijk kader
4.       Artikel 4:20b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven."
Artikel 4:20b, derde lid, van de Awb luidt: "In afwijking van artikel 3:40 treedt de beschikking in werking op de derde dag na afloop van de beslistermijn."
Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."
Beoordeling van het hoger beroep
5.       Niet in geschil is dat het college niet tijdig op de aanvraag van [vergunninghoudster] van 3 september 2019 heeft besloten. Dat betekent dat ingevolge artikel 4:20b van de Awb de vergunning van rechtswege op 18 oktober 2019 in werking is getreden. Ook is niet in geschil dat het college niet bevoegd was om op 3 maart 2021 een vergunning te verlenen, omdat de vergunning al van rechtswege was ontstaan.
5.1.    Op 16 juli 2021 heeft het college naar aanleiding van het gegronde bezwaar van de VVE de op 18 oktober 2019 van rechtswege ontstane omgevingsvergunning bekend gemaakt. De VVE heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
5.2.    De omgevingsvergunning is van rechtswege ontstaan voordat het college het in hoger beroep aan de orde zijnde besluit van 3 maart 2021 heeft genomen. Er doet zich daarom geen situatie voor waarin het college bij nader besluit door intrekking, wijziging of vervanging, met herhaalde aanwending van dezelfde bevoegdheid en op dezelfde feitelijke grondslag, van een eerder genomen besluit terugkomt. Dit betekent dat de van rechtswege verleende omgevingsvergunning geen besluit is als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb en dan ook niet van rechtswege geacht wordt onderwerp te zijn van dit geding. De van rechtswege verleende omgevingsvergunning is een primair besluit waartegen bezwaar open staat. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:682 onder 6 en 6.1.
Gelet hierop zal de Afdeling het bezwaarschrift van de VVE ter behandeling aan het college sturen.
5.3.    Dat betekent dat de rechtbank het bezwaarschrift van de VVE over de vergunning van rechtswege ten onrechte in behandeling heeft genomen als zijnde onderdeel van het aanhangige beroep. De rechtbank had zich onbevoegd moeten verklaren om van het bezwaarschrift kennis te nemen, en dit ter behandeling terug moeten zenden naar het college.
Het betoog slaagt. Aan bespreking van de inhoudelijke hoger beroepsgronden over de vergunning van rechtswege wordt niet toegekomen.
5.4.    Betreffende de klacht van de VVE over het door de rechtbank in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar van 24 juni 2021 overweegt de Afdeling het volgende. Dat besluit op bezwaar ziet op de vergunningverlening op aanvraag door het college van 3 maart 2021. Gebleken is dat het college op 11 januari 2023 het besluit van 3 maart 2021 heeft herroepen naar aanleiding van het bezwaar van de VVE. Dit betekent tevens dat dat laatste besluit juridisch niet meer bestaat. Voorts is gebleken dat het college bij die herroeping tegemoet gekomen is aan de bezwaren van de VVE tegen het besluit van 3 maart 2021, en in het verlengde daarvan tegen het besluit op bezwaar van 24 juni 2021. De klacht van de VVE over het in stand laten van de rechtsgevolgen van dat laatste besluit mist daarom feitelijke en juridische grondslag, en het hoger beroep slaagt dan ook op dit punt niet. Dit betekent tevens dat het college de VVE niet meer behoeft te horen met betrekking tot het door de VVE ingediende bezwaar tegen het besluit op aanvraag van 3 maart 2021.
Slotsom
6.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, vernietigen voor zover deze ziet op de vergunning van rechtswege en doen wat de rechtbank zou moeten doen, en de rechtbank onbevoegd verklaren om van het bezwaar tegen de vergunning van rechtswege kennis te nemen.
7.       Het college moet de proceskosten vergoeden.
Overschrijding van de redelijke termijn
8.       De redelijke termijn, die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, is in dit geval vier jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2209.
8.1.    De procedure is aangevangen met het bezwaarschrift van 8 april 2021 en geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van vandaag. De procedure heeft in totaal 4 jaar en zeven maanden geduurd. De redelijke termijn is daarom met zeven maanden overschreden. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen, is geen sprake.
8.2.    De overschrijding van de redelijke termijn is in dit geval geheel toe te rekenen aan de Afdeling. Omdat de overschrijding aan de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade uitgesproken ten laste van de Staat. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden zal de Afdeling de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties) veroordelen tot betaling van € 1000,00 aan de VVE.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover die ziet op het beroep tegen de op 16 juli 2021 bekendgemaakte vergunning van rechtswege;
III.      verklaart de rechtbank onbevoegd om van het tegen die vergunning gemaakte bezwaar kennis te nemen;
IV.      wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
V.       veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan de Vereniging van Eigenaars van Het Tramhuys  een schadevergoeding van € 1.000,00 te betalen;
VI.      verstaat dat de griffier van de Raad van State aan de Vereniging van Eigenaars van Het Tramhuys het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 548,00 terugbetaalt.
VII.     veroordeelt het college tot vergoeding van de bij de Vereniging van Eigenaars van Het Tramhuys opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 70,26.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025
317-1114