ECLI:NL:RVS:2025:6338

Raad van State

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
202403255/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor reclame-uitingen door King Store B.V. in Amsterdam

In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 24 december 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van King Store B.V. tegen de weigering van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een omgevingsvergunning te verlenen voor het aanbrengen van reclame-uitingen aan de gevel van hun winkel aan de Kalverstraat 32. De weigering was gebaseerd op het vermoeden dat de vergunning zou kunnen worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, zoals de verkoop van namaakartikelen. King Store had eerder een aanvraag ingediend voor de omgevingsvergunning, maar deze werd afgewezen op 25 augustus 2022. Het college stelde dat er een ernstig gevaar bestond dat de vergunning zou worden misbruikt, mede gezien de eerdere strafrechtelijke veroordelingen van de aandeelhouder van King Store. De rechtbank Amsterdam had de eerdere besluiten van het college in stand gehouden, waarop King Store in hoger beroep ging. De Afdeling heeft de zaak behandeld en geconcludeerd dat de rechtbank en het college terecht hebben geoordeeld dat de omgevingsvergunning geweigerd kon worden op basis van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). De Afdeling bevestigde dat de belangen van het algemeen belang, zoals het voorkomen van strafbare feiten, zwaarder wegen dan de belangen van King Store. De last onder dwangsom die aan King Store was opgelegd voor het zonder vergunning aanbrengen van reclame-uitingen werd eveneens bevestigd. De uitspraak benadrukt de noodzaak van handhaving in het kader van omgevingsrecht en de rol van integriteitsbeoordelingen in vergunningverlening.

Uitspraak

202403255/1/R1.
Datum uitspraak: 24 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
King Store B.V., gevestigd in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2024 in zaken nrs. 23/2055 en 23/6941 in het geding tussen:
King Store
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 2022 heeft het college geweigerd de door King Store gevraagde omgevingsvergunning te verlenen voor het aanbrengen van reclame-uitingen aan de gevel van het gebouw aan de Kalverstraat 32 in Amsterdam.
Bij besluit van 23 februari 2023 heeft het college het door King Store daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.
Bij besluit van 15 mei 2023 heeft het college King Store een last onder dwangsom opgelegd voor het zonder omgevingsvergunning aanbrengen van reclame-uitingen aan de gevel van het gebouw aan de Kalverstraat 32.
Bij besluit van 26 oktober 2023 heeft het college het door King Store daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.
Bij uitspraak van 11 april 2024 heeft de rechtbank het door King Store tegen de besluiten van 23 februari 2023 en 26 oktober 2023 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft King Store hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2025, waar  het college, vertegenwoordigd door mr. L. Bouzahra, S. Besselink en E. Koomen, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden.
1.1.    Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 april 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
1.2.    Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 15 mei 2023 heeft het college aan King Store een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       King Store exploiteert een souvenir- en kadowinkel aan de Kalverstraat 32 in Amsterdam.
Tijdens een controle van de Ondermijningsbrigade op 8 maart 2022 van de winkel aan de Kalverstraat 32 heeft het college geconstateerd dat op en aan de voorgevel twee reclame-uitingen zijn aangebracht. Bij brief van 28 maart 2022 heeft het college King Store bericht dat voor deze reclame-uitingen een omgevingsvergunning is vereist.
King Store heeft op 30 april 2022 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor onder meer de activiteit ‘bouwen’ voor twee reclame-uitingen. Het college heeft de aanvraag bij besluit van 25 augustus 2022 afgewezen, omdat volgens hem een ernstig gevaar bestaat dat de omgevingsvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, te weten de verkoop van namaakartikelen.
Op 18 april 2023 heeft het college vastgesteld dat de twee reclame-uitingen die op 8 maart 2022 zijn geconstateerd, nog steeds aanwezig waren. Het college heeft aan King Store bij besluit van 15 mei 2023 een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van onder meer artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. King Store is gelast de twee reclame-uitingen te verwijderen.
Het college heeft de besluiten van 25 augustus 2022 en 15 mei 2023 gehandhaafd in de besluiten op bezwaar. King Store heeft beroep ingesteld tegen beide besluiten op bezwaar. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de besluiten op bezwaar in stand gelaten. King Store is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft daarom hoger beroep ingesteld.
Relevante wettelijke bepalingen
3.       De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
De weigering omgevingsvergunning te verlenen
Is voor het aanbrengen van reclame-uitingen een omgevingsvergunning nodig?
4.       King Store betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor het aanbrengen van twee reclame-uitingen op de voorgevel van het pand een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ niet is vereist. Volgens King Store zijn de reclame-uitingen geen bouwwerken als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. De rechtbank heeft niet op juiste wijze beoordeeld of het gaat om een bouwwerk. De door de rechtbank gehanteerde omschrijving is wel passend voor de beoordeling of een tiny-house of pipowagen als bouwwerk zijn te beschouwen, maar niet als het gaat om een reclame-uiting. Zij wijst er verder op dat bij de twee reclame-uitingen een constructieve voorziening ontbreekt en dat de reclame-uitingen niet worden voorzien van bekabelde verlichting. Ook worden de doosletters met slechts vijf schroeven aan de gevel bevestigd. Het college had dan ook de omgevingsvergunning moeten weigeren, omdat daarvoor geen vergunning is vereist, aldus King Store.
4.1.    Het begrip "bouwwerk" is in de Wabo niet omschreven. Voor de uitleg van dit begrip wordt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling aangesloten bij de omschrijving van dit begrip in de modelbouwverordening. Deze omschrijving luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren". Als hieraan wordt voldaan, dan gaat het dus om een bouwwerk.
4.2.    De Afdeling stelt voorop dat van elke reclame-uiting zelfstandig moet worden beoordeeld of dat een bouwwerk is. De rechtbank heeft beoordeeld of de reclame-uitingen waarvoor King Store omgevingsvergunning heeft aangevraagd, voldoen aan de hiervoor weergegeven omschrijving, die in de modelbouwverordening wordt gehanteerd. De rechtbank heeft, anders dan King Store betoogt, daarmee het juiste beoordelingskader gehanteerd.
De aanvraag betreft onder meer uit een reclame-uiting, bestaande uit een langwerpig profiel met daarop letters met de naam van de winkel, gevolgd door ‘souvenirs&gifts’. De letters betreffen zogenoemde doosletters die van binnenuit worden verlicht. De reclame-uiting is meer dan 4 m breed en de doosletters zijn 40 cm hoog. De doosletters hebben een dikte van 7 cm. Door het profiel komen de doosletters iets van de gevel af. Het college heeft op de zitting te kennen gegeven dat elke doosletter afzonderlijk aan het profiel wordt bevestigd. De Afdeling acht dit aannemelijk. King Store heeft dit in de stukken ook niet betwist. De stelling van King dat de reclame-uiting met slechts vijf schroeven aan de gevel wordt bevestigd, begrijpt de Afdeling zo dat het daarbij gaat om de bevestiging van het profiel aan de gevel.
Gelet op de omvang van de reclame-uiting, het materiaal en de wijze van bevestiging van de doosletters aan het profiel en het profiel aan de gevel, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat deze reclame-uiting een bouwwerk is in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.
De andere reclame-uiting waarop de aanvraag betrekking heeft, is een uithangbord van 60 cm hoog en 90 cm breed. Het bord heeft een dikte van ongeveer 10 cm. Het uithangbord zal met bevestigingsmateriaal op ongeveer 10 cm afstand van de voorgevel worden bevestigd. In de aanvraag staat dat de te gebruiken materialen aluminium en kunststof zijn. Het college heeft ervan mogen uitgaan dat het uithangbord, vooral gelet op de dikte daarvan en het materiaal, zal worden voorzien van een lichtbron. Of het daarbij al dan niet gaat om led-verlichting of een andere vorm van verlichting, is voor de vraag of het uithangbord gaat om een bouwwerk niet van doorslaggevend belang.
Gelet op de omvang van het uithangbord, het materiaal, de aanwezigheid van een lichtbron en de bevestiging daarvan aan bevestigingsmateriaal dat op zijn beurt aan de gevel wordt bevestigd, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het gaat om een bouwwerk.
Dit betekent dat voor het aanbrengen van de reclame-uitingen in ieder geval een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo nodig is. De uitspraak van 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0451, waarop King Store heeft gewezen, leidt de Afdeling niet tot een ander oordeel omdat het in die zaak een kleinere reclame-uiting betrof.
Het betoog slaagt niet.
Heeft het college de vergunning mogen weigeren?
5.       King Store betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning niet op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) mocht weigeren. Zij voert daartoe aan dat het haar niet kan worden verweten dat er namaakartikelen in de winkel zijn aangetroffen. King Store was er niet van op de hoogte dat de desbetreffende artikelen namaakartikelen waren en kon daarvan ook niet op de hoogte zijn, omdat deze artikelen lastig als namaak merkproducten te herkennen zijn.
Ten slotte voert zij in dit verband aan dat het weigeren van de vergunning niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van het strafbare feit, zijnde de verkoop van namaakartikelen. Het besluit is daarom volgens haar onevenredig.
5.1.      Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob bepaalt dat een bestuursorgaan een aangevraagde beschikking kan weigeren als er ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob bepaalt dat de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven.
5.2.    Het college heeft de omgevingsvergunning onder meer geweigerd op grond van artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo in samenhang met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van Wet Bibob. Het college stelt zich op het standpunt dat er een ernstig gevaar bestaat dat King Store met de reclame-uitingen beoogt om klanten te trekken, aan die klanten namaakartikelen te verkopen en daarmee een strafbaar feit te plegen. Aan het besluit heeft het college een rapport van 12 mei 2021 ten grondslag gelegd.
In het rapport van 12 mei 2021 staat dat King Store Holding B.V. de enig aandeelhouder en bestuurder is van King Store. King Store Holding B.V. exploiteert ook een winkel aan de Kalverstraat 78 in Amsterdam. De enig aandeelhouder en bestuurder van King Store Holding B.V. is [aandeelhouder].
Verder staat in het rapport onder meer dat [aandeelhouder] op 1 juli 2022 door de politierechter schuldig is bevonden aan het op de locatie Kalverstraat 78 opzettelijk te koop aanbieden en in voorraad hebben van valse merken, terwijl hij het plegen van deze misdrijven als bedrijf heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht. Ook is hij veroordeeld voor opzettelijk waren met een merk waarop een ander recht heeft, zij het met een geringe afwijking is nagebootst, te koop aanbieden en in voorraad hebben, terwijl hij het plegen van deze misdrijven als bedrijf heeft uitgeoefend. De misdrijven zijn meermalen gepleegd en waren opzettelijk. Het betrof namaakproducten van het merk Apple, zoals oplaadkabels, adaptors en headsets. Deze strafbare feiten zijn gepleegd in de periode van 18 juni 2021 tot en met 24 juni 2021.
Tijdens de controle op 8 maart 2022 van de Ondermijningsbrigade zijn in de winkel aan de Kalverstraat 32, 44 namaakartikelen in beslag genomen, zo staat in het daarvan op gemaakte rapport. Op die datum is ook de winkel aan de Kalverstraat 78 bezocht. Daar zijn 36 namaakartikelen in beslag genomen. Het gaat daarbij onder meer om oplaadsnoeren en oortjes van Apple. In de winkels zijn identieke doosjes met oplaadsnoeren aangetroffen. Volgens het college doen deze feiten en omstandigheden vermoeden dat [aandeelhouder] opnieuw in strijd heeft gehandeld met artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht.
5.3.    King Store heeft de juistheid van de constateringen in het rapport niet betwist. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college op grond van het rapport het standpunt heeft mogen innemen dat ernstig gevaar bestaat dat de omgevingsvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. De gevraagde omgevingsvergunning draagt bij aan de handel in namaakartikelen.
De rechtbank heeft, net als het college, terecht mede betekenis toegekend aan wat in de winkel Kalverstraat 78 heeft plaatsgevonden. Gelet op de onder 5.1 vermelde organisatiestructuur en de onderlinge verbanden tussen [aandeelhouder], King Store Holding en King Store, mocht het college ervan uitgaan dat King Store redelijkerwijs met [aandeelhouder] gelijk kan worden gesteld als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo.
Gebleken is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat [aandeelhouder] in relatie staat tot gepleegde strafbare feiten. De strafrechtelijke veroordeling van [aandeelhouder] betrof de winkel Kalverstraat 78 en op 8 maart 2022 zijn daar opnieuw namaakartikelen aangetroffen. De veroordeling van [aandeelhouder] betrof het opzettelijk waren te koop aanbieden met een merk waarop een ander recht heeft, zij het met een geringe afwijking is nagebootst. Aan de gestelde omstandigheid dat het voor [aandeelhouder] moeilijk zou zijn om namaakartikelen te herkennen en hij niet de bedoeling zou hebben gehad en heeft om namaakartikelen te verkopen, komt daarom niet de betekenis toe die hij daaraan toekent.
In wat King Store heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.
5.4.    De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de weigering vergunning te verlenen evenredig is met de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten. Het college heeft het belang van King Store niet zwaarder hoeven laten wegen dan het algemeen belang van het voorkomen dat de vergunning wordt gebruikt voor het plegen van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob. Het college heeft de betrokken belangen afgewogen. Het college heeft het belang van King Store om de klandizie voor de winkel te verhogen door de reclame-uitingen daarbij betrokken. Het college heeft ook als belang in aanmerking genomen dat de handel in namaakartikelen leidt tot economische schade, er geen controleerbare kwaliteitscontrole mogelijk is, tot concurrentievervalsing leidt en in verband wordt gebracht met gevaarlijke werkomstandigheden.
In wat King Store heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het voorkomen van het plegen van strafbare feiten in de vorm van de verkoop van namaakartikelen zwaarder weegt dan het financiële belang van King Store, namelijk het trekken van klanten met het aanbrengen van de reclame-uitingen om zo meer omzet te genereren.
Het betoog slaagt niet.
De last onder dwangsom
6.       Op 18 april 2023 heeft het college geconstateerd dat twee reclame-uitingen aan het pand aan de Kalverstraat 32 aanwezig waren.
Voor de reclame-uitingen zijn geen omgevingsvergunning verleend. Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden tegen de aangebrachte reclame-uitingen.
Heeft het college een last onder dwangsom mogen opleggen?
7.       King Store betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet heeft mogen besluiten tot handhaving. Zij acht handhaving onevenredig. Met het opleggen van een last onder dwangsom kan het college niet voorkomen dat er namaakartikelen worden verkocht in de winkel. Volgens King Store zal de last daarom niet leiden tot het daarmee beoogde doel.
7.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
7.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft King Store geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zich hier geen bijzonder geval voordoet waarin het college had moeten afzien van handhaving. Wat betreft de stelling van King Store dat met het verwijderen van de reclame-uitingen de verkoop van namaakartikelen niet zal worden voorkomen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het doel van de last is om de overtreding van het bouwen van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning te beëindigen. Dat doel wordt bij het voldoen aan de last behaald.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.
w.g. Besselink
voorzitter
w.g. Van Heusden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025
163-1124
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk;
[…].
Artikel 2.20
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, of in artikel 2.1, eerste lid, onder e, met betrekking tot een inrichting kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.10, artikel 2.11, onderscheidenlijk artikel 2.14 slechts weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet, voor zover het deze wet betreft, onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld.
[…].
Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur
Artikel 3
1. Voor zover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
[…];
b. strafbare feiten te plegen.
[…]
3. Voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.
4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:
a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,
b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of
c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon leidinggevende van betrokkene is, dan wel zeggenschaphebbende over betrokkene, vermogensverschaffer van betrokkene of een persoon die in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan.
5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de mate van het gevaar en
b. voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
[…].