ECLI:NL:RVS:2025:6258

Raad van State

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
202505095/1/R3 en 202505095/2/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening en hoger beroep inzake omgevingsvergunning voor groengasinstallatie en Denox-installatie

Sonac Burgum B.V. heeft een aanvraag ingediend voor een gefaseerde omgevingsvergunning voor het oprichten van een groengasinstallatie en een Denox-installatie, en voor het stoken van stookketels op vet in plaats van aardgas. Het college van gedeputeerde staten van Fryslân vroeg de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel om een verklaring van geen bedenkingen, maar deze weigerde een ontwerpverklaring. Hierop heeft Sonac de aanvraag gewijzigd. Persoon A en anderen vrezen dat de aangevraagde activiteiten meer overlast zullen veroorzaken en hebben beroep ingesteld wegens het niet-tijdig beslissen door het college. De rechtbank Noord-Nederland heeft op 24 juli 2025 geoordeeld dat het college binnen 21 weken een besluit moet nemen, en het college heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. De voorzieningenrechter van de Raad van State heeft op 22 december 2025 het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening van het college is afgewezen, en het college is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de appellanten.

Uitspraak

202505095/1/R3 en 202505095/2/R3.
Datum uitspraak: 22 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
het college van gedeputeerde staten van Fryslân,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 juli 2025 in zaak nr. 25/1508 in het geding tussen:
het college
en
[persoon A] en anderen
Procesverloop
Sonac Burgum B.V. (hierna: Sonac) heeft gefaseerd een omgevingsvergunning aangevraagd. De aanvraag voor fase 1 is ingediend op 25 april 2023. Deze ziet op het veranderen van de inrichting en het handelen in strijd met regels voor ruimtelijke ordening. De aanvraag voor fase 2 is ingediend op 26 mei 2023 en gaat over de activiteit bouwen.
Bij uitspraak van 24 juli 2025 heeft de rechtbank het door [persoon A] en anderen ingestelde beroep wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag gegrond verklaard, voor zover dit beroep is ingediend door [persoon A], [persoon B], [persoon C], en [persoon D]. De rechtbank heeft het met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en het college opgedragen om binnen 21 weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat het college gezamenlijk een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het college de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank heeft het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit is ingediend door [persoon E] en [persoon F].
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
Ook heeft het college de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[persoon A] en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op zitting behandeld op 2 december 2025, waar het college van gedeputeerde staten van Fryslân, vertegenwoordigd door S.P. Huizingh en R. Oosterbaan, en [persoon A] en anderen, vertegenwoordigd door [persoon A] en [persoon C],  bijgestaan door mr. B.N. Kloostra, advocaat in Amsterdam, en vergezeld door [persoon E] en [persoon F], zijn verschenen.
Overwegingen
1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvragen om een omgevingsvergunning zijn ingediend op 25 april en 26 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
3.       Sonac heeft een aanvraag gedaan om gefaseerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten van een groengasinstallatie, een Denox-installatie en voor het stoken van de stookketels op vet in plaats van aardgas. Het college heeft daarop de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel (hierna: de raad) gevraagd om een besluit te nemen over een verklaring van geen bedenkingen, op basis van artikel 2.27 van de Wabo. De raad heeft vervolgens een ontwerpverklaring van geen bedenkingen geweigerd. Daarop heeft Sonac de aanvraag gewijzigd.
4.       [persoon A] en anderen vrezen dat de aangevraagde activiteiten zullen leiden tot meer overlast. Zij willen dat het college op de aanvragen beslist om zekerheid te krijgen over of de aangevraagde activiteiten mogen worden uitgevoerd. Dit tegen de achtergrond van de geweigerde ontwerpverklaring van geen bedenkingen. Nu het college nog steeds niet op de aanvragen heeft beslist en de termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag ruim is verstreken, hebben zij bij de rechtbank beroep ingesteld wegens het niet-tijdig beslissen door het college.
De uitspraak van de rechtbank
5.       Voor zover hier van belang overweegt de rechtbank dat de beslistermijn ruimschoots is overschreden. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is dat het college dit moet doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. Dat staat in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. Dat staat in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Zij overweegt dat het vaste rechtspraak is van de Afdeling dat de beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb en is een langere beslistermijn in dit geval gerechtvaardigd. De rechtbank bepaalt dat het college binnen 21 weken moet beslissen op de aanvragen.
Het hoger beroep
6.       Het college betoogt dat de rechtbank het college een te korte termijn heeft gesteld om alsnog een besluit op de aanvragen te nemen. Het college wijst erop dat de termijn die de rechtbank heeft gegeven afloopt na 18 december 2025. Het college stelt dat het niet mogelijk is om uiterlijk op deze datum een besluit te nemen.
Het college voert hiervoor aan dat zij geen besluit kan nemen totdat de raad een besluit heeft genomen over een verklaring van geen bedenkingen voor de gewijzigde aanvragen. De raad heeft een ontwerpbesluit over de verklaring van geen bedenkingen echter pas op 18 december 2025 geagendeerd. Daarna moet dit ontwerpbesluit ter inzage worden gelegd. Daarbij moet een termijn van zes weken geboden worden om zienswijzen in te dienen op het ontwerpbesluit. Vervolgens moet nog een definitief besluit door de raad genomen worden over de verklaring van geen bedenkingen.
Gelet op deze planning was het volgens het college onhaalbaar om een besluit te nemen op uiterlijk 18 december 2025. Het college betoogt verder dat zij niet langer gebruik kan maken van het eerdere besluit van de raad over de verklaring van geen bedenkingen, omdat de aanvragen inmiddels zijn aangepast.
6.1.    De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat de door de rechtbank gestelde termijn van 21 weken een onrealistisch korte termijn is. Deze termijn is slechts vijf weken korter dan de wettelijke beslistermijn van 26 weken. Daarnaast was de beslistermijn al ruimschoots verstreken op het moment van de uitspraak van de rechtbank. De aanvragen dateren namelijk van 25 april en 26 mei 2023. Het college had dus ruimschoots de tijd gehad om op de aanvragen te beslissen. Ook sinds de laatste wijzigingen van de aanvragen op 20 januari 2025 waren al meer dan 26 weken verstreken ten tijde van de uitspraak. Gelet op het tijdsverloop sinds de aanvragen en de wijzigingen daarvan, ziet de voorzieningenrechter niet in waarom een aanvullende termijn van 21 weken onrealistisch kort was. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de rechtbank bij de behandeling van het beroep op zitting aan het college heeft gevraagd wat een realistische termijn zou zijn om een besluit te nemen. Het college heeft daarop echter geen termijn genoemd.
De enige omstandigheid die nu in hoger beroep wordt aangevoerd waarom de termijn te kort is, is dat de raad nog een besluit moet nemen over een verklaring van geen bedenkingen. Dat is echter geen omstandigheid om de gegeven termijn te kort te achten. Het vragen van een verklaring van geen bedenkingen is immers onderdeel van de voorbereidingsprocedure en dus meegenomen in de wettelijke beslistermijn van 26 weken. Er zijn geen bijzonderheden aangevoerd waarom de gemeenteraad niet binnen die termijn een beslissing kon nemen over een verklaring van geen bedenkingen. Dat het college geen invloed heeft op de agenda van de gemeenteraad, is niet een dergelijke bijzonderheid. De raad heeft bovendien op 14 december 2023 al een beslissing genomen over een verklaring van geen bedenkingen over de oorspronkelijke aanvraag. Daarom ziet de voorzieningenrechter niet in waarom het onrealistisch was dat er binnen 21 weken na de uitspraak een besluit zou zijn genomen over een gewijzigde verklaring van geen bedenkingen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7.       Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8.       Gelet op het voorgaande, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening van het college afgewezen.
9.       Het college moet de proceskosten van [persoon A] en anderen vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek af;
III.      veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Fryslân tot vergoeding van bij [persoon A], [persoon B], [persoon C], en [persoon D], in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.851,85, waarvan € 1814,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Brouwers, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzieningenrechter
w.g. Brouwers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025
1080