ECLI:NL:RVS:2025:6214
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en inreisverbod na niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning asiel
Op 4 oktober 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard, haar opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod opgelegd. Verzoeker stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 4 december 2025 het besluit vernietigde voor zover het de vertrektermijn en het inreisverbod betrof, en zelf een vertrektermijn van vier weken oplegde.
Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State besloot op 22 december 2025 dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, ter hoogte van €907,00.
De uitspraak betreft een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de belangen van verzoeker worden beschermd gedurende de procedure in hoger beroep. De beslissing is genomen door voorzieningenrechter J.M. Willems in aanwezigheid van griffier S. van Driesten.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.