202500529/1/A2.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 december 2024 in zaak nr. 23/2705 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij separate besluiten van 7 maart 2023 heeft de minister geweigerd om schulden van [appellant] over te nemen.
Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 november 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. L. Boon, advocaat in Eindhoven, en de minister van Financiën, vertegenwoordigd door mr. J. Rhebergen en mr. drs. A. Divis-Stein, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht).
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat het bij schulden die worden overgenomen moet gaan om schulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en die niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. In artikel 4.1, derde lid, van de Wht is bepaald welke geldschulden en kosten worden overgenomen. Daartoe behoort, zoals blijkt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht onder meer een informele private schuld, indien die is vastgelegd in een notariële akte, of waarvan blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021.
In artikel 4.3 van de Wht is een bepaling opgenomen voor compensatie van al afgeloste private schulden. Dit artikel houdt kort gezegd en voor zover hier relevant in dat een private schuld die is betaald na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel (zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wht, bijvoorbeeld de toekenning van een geldbedrag als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht) in aanmerking komt voor vergoeding, als deze afgeloste schuld wanneer deze niet was voldaan op grond van de Wht zou zijn overgenomen. Aan de voorwaarden van artikel 4.1 van de Wht moet dus ook zijn voldaan.
In artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Wht is een hardheidsclausule opgenomen.
3. [appellant] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft verzocht om overname van een aantal schulden. De minister heeft bij separate besluiten van 7 maart 2023 gedeeltelijk geweigerd om schulden over te nemen. Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft de minister, voor zover hier relevant, het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Schuld aan EDR Incasso met referentie 10208442 Ned. Ener. Mij SBN
4. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] zijn beroepsgrond die zag op het niet overnemen van een schuld van € 9.444,83 aan EDR Incasso ingetrokken. De Afdeling zal daarom hier niet op ingaan.
Schuld aan Collactive BMK
5. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] zijn beroepsgrond die zag op het niet overnemen van een schuld van € 5.429,00 aan Collactive BMK ingetrokken. De Afdeling zal daarom hier niet op ingaan.
Schuld aan International Cardservices
6. [appellant] heeft verzocht om overname van een schuld van € 9.943,72 aan ICS. Bij het besluit van 12 oktober 2023 heeft de minister de weigering om de schuld over te nemen gehandhaafd, omdat de schuld niet opeisbaar is geworden vóór 1 juni 2021. De rechtbank heeft overwogen dat de schuld een roodstand op een creditcardrekening betreft. Een dergelijk krediet heeft geen vaste einddatum. Uit de informatie van ICS blijkt dat de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar is gesteld. De schuld is daarom terecht niet overgenomen.
6.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de schuld ten onrechte niet is overgenomen. De minister heeft onvoldoende onderzocht of de schuld opeisbaar is geworden. [appellant] kan niet meer bij de informatie die hij eerder van ICS heeft ontvangen. De schuld was wel opeisbaar vóór 1 juni 2021. Hij heeft daarover meerdere brieven ontvangen, maar die zijn niet meer beschikbaar voor hem.
6.2. Zoals de rechtbank heeft overwogen, betreft de schuld een roodstand van € 9.943,72 op een creditcardrekening, met een kredietlimiet van € 10.000,00. Omdat het krediet geen vaste einddatum heeft, is van een opeisbare schuld gedurende de looptijd van het krediet geen sprake. De minister heeft, anders dan [appellant] stelt, navraag gedaan naar de opeisbaarheid van de schuld bij ICS. Van een zorgvuldigheidsgebrek is niet gebleken. [appellant] heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat de schuld wel opeisbaar was voor 1 juni 2021. De enkele stelling dat hij brieven heeft ontvangen waaruit anders blijkt, is daarvoor onvoldoende. Verder heeft [appellant] ook geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij, zoals hij stelt, contact heeft opgenomen met ICS omdat hij niet meer kan inloggen.
Het betoog slaagt niet.
Schuld aan Intrum Nederland B.V.
7. [appellant] heeft verzocht om overname van een schuld van € 7.607,31 aan Intrum Nederland B.V. Bij het besluit van 12 oktober 2023 heeft de minister de weigering om de schuld over te nemen gehandhaafd, omdat de schuld op naam staat van de B.V. van [appellant], en hij daarvoor niet aansprakelijk is, maar zijn B.V. Er is daarmee geen sprake van een private schuld. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Wht niet voorziet in overname van zakelijke schulden van rechtspersonen. [appellant] heeft daarbij niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk aansprakelijk is voor de schulden. Dat in een e-mail van Intrum is opgenomen dat er openstaande vorderingen zijn, betekent daarbij niet dat [appellant] aansprakelijk is gesteld. De schuld is daarom terecht niet overgenomen. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:11814, treft geen doel, omdat in die uitspraak de ouder wel persoonlijk aansprakelijk was gesteld. 7.1. De grond die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. Ook op de zitting van de Afdeling heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij door middel van borgstelling of anderszins persoonlijk aansprakelijk is voor deze schuld van zijn vennootschap. De Afdeling kan zich voor het overige vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Schuld aan Heesakkers Schuldhulpverlening
8. [appellant] heeft verzocht om overname van een schuld van € 5.500,00 aan Heesakkers Schuldhulpverlening. Bij het besluit van 12 oktober 2023 heeft de minister de weigering om de schuld over te nemen gehandhaafd, omdat de schuld niet opeisbaar is geworden vóór 1 juni 2021. De rechtbank heeft overwogen dat de definitieve factuur pas op 31 mei 2022 is verstuurd. Daaruit volgt dat de schuld niet opeisbaar was vóór 1 juni 2021.
8.1. De grond die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 13.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Informele schulden
Schuld aan [persoon 1]
9. [appellant] heeft verzocht om overname van een schuld van € 30.000,00 aan [persoon 1]. Bij het besluit van 12 oktober 2023 heeft de minister de weigering om de schuld over te nemen gehandhaafd, omdat deze niet is vastgelegd in een notariële akte. De rechtbank heeft geoordeeld dat het vereiste dat informele schulden moeten worden vastgelegd niet getoetst kan worden aan het evenredigheidsbeginsel, omdat van niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden geen sprake is. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt. De overgelegde stukken leiden niet tot de conclusie dat aan het bestaan van de schulden niet redelijkerwijs kan worden getwijfeld. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de overgelegde stukken eenzijdig zijn opgemaakt, waarbij de akte van 1 oktober 2022 bovendien is opgemaakt na 1 juni 2021, en van de erkenning van schuldenlast niet verifieerbaar is op welke datum dit stuk is opgemaakt. Verder bevatten de stukken niets over afbetaling en opeisbaarheid. Een notariële akte wordt geregistreerd, waardoor het bestaan van de schuld en de gemaakte afspraken verifieerbaar zijn. De overgelegde stukken zijn niet geregistreerd. Ook zijn er geen stukken waaruit de daadwerkelijke betaling van het geleende bedrag aan [appellant] blijkt. Van authentieke documenten waardoor aan het bestaan van de schuld redelijkerwijs niet valt te twijfelen, is geen sprake.
9.1. De grond die [appellant] aanvoert over het evenredigheidsbeginsel, gaat over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, onder 10 e.v.). [appellant] heeft geen redenen gegeven waarom deze uitspraak, waar de rechtbank naar heeft verwezen in haar uitspraak, niet juist zou zijn. 9.2. De rechtbank heeft ook met betrekking tot het beroep op de hardheidsclausule verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak van 15 mei 2024. In die uitspraak overwoog de Afdeling dat er in bijzondere situaties aanleiding kan bestaan voor het toepassen van de hardheidsclausule omdat het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken overwegend onbillijk is, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. De rechtbank heeft in haar uitspraak uitgebreid beoordeeld of daarvan sprake is met betrekking tot de schuld van [appellant] aan [persoon 1]. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom de rechtbank dat onjuist of onvolledig heeft gedaan. Alleen al daarom kan zijn standpunt niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
Het betoog slaagt niet.
Schuld aan [persoon 2]
10. [appellant] heeft verzocht om overname van een schuld van € 15.000,00 aan [persoon 2]. Bij het besluit van 12 oktober 2023 heeft de minister de weigering om de schuld over te nemen gehandhaafd, omdat deze niet is vastgelegd in een notariële akte. De rechtbank heeft geoordeeld dat het vereiste dat informele schulden moeten worden vastgelegd niet getoetst kan worden aan het evenredigheidsbeginsel, omdat van niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden geen sprake is. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt. De overgelegde stukken leiden niet tot de conclusie dat aan het bestaan van de schulden niet redelijkerwijs kan worden getwijfeld. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de overgelegde stukken eenzijdig zijn opgemaakt, waarbij de erkenning van de schuldenlast is vertaald op 14 december 2022, maar niet verifieerbaar is op welke datum dit stuk is opgemaakt. De verklaring van 1 november 2022 is opgemaakt na 1 juni 2021. Verder bevatten de stukken niets over afbetaling en opeisbaarheid en zijn de stukken niet geregistreerd. Ook zijn er geen stukken waaruit de daadwerkelijke betaling van het geleende bedrag aan [appellant] blijkt. Het schema voor gespreide betaling biedt naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs voor het daadwerkelijk bestaan van de schuld. Van authentieke documenten waardoor aan het bestaan van de schuld redelijkerwijs niet valt te twijfelen, is geen sprake.
10.1. De grond die [appellant] aanvoert over het evenredigheidsbeginsel, gaat over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, onder 10 e.v.). [appellant] heeft geen redenen gegeven waarom deze uitspraak, waar de rechtbank naar heeft verwezen in haar uitspraak, niet juist zou zijn. 10.2. De rechtbank heeft ook met betrekking tot het beroep op de hardheidsclausule verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak van 15 mei 2024. In die uitspraak overwoog de Afdeling dat er in bijzondere situaties aanleiding kan bestaan voor het toepassen van de hardheidsclausule omdat het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken overwegend onbillijk is, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. De rechtbank heeft in haar uitspraak uitgebreid beoordeeld of daarvan sprake is met betrekking tot de schuld van [appellant] aan [persoon 2]. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom de rechtbank dat onjuist of onvolledig heeft gedaan. Alleen al daarom kan zijn standpunt niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Voor zover [appellant] erop wijst dat uit een rekeningafschrift van 16 februari 2015 volgt dat hij het bedrag van € 15.000,00 daadwerkelijk heeft ontvangen, is de Afdeling van oordeel dat dit niet tot een ander oordeel over de schuld leidt dan de rechtbank heeft gegeven, ook omdat de datum van ontvangst niet verenigbaar is met het overgelegde schema voor gespreide betaling.
Het betoog slaagt niet.
Schuld aan [persoon 3]
11. [appellant] heeft verzocht om overname van een schuld van € 14.250,00 aan [persoon 3]. Bij het besluit van 12 oktober 2023 heeft de minister de weigering om de schuld over te nemen gehandhaafd, omdat deze niet is vastgelegd in een notariële akte. De rechtbank heeft geoordeeld dat het vereiste dat informele schulden moeten worden vastgelegd niet getoetst kan worden aan het evenredigheidsbeginsel, omdat van niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden geen sprake is. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt. De overgelegde stukken leiden niet tot de conclusie dat aan het bestaan van de schulden niet redelijkerwijs kan worden getwijfeld. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het overgelegde stuk eenzijdig is opgemaakt, waarbij de verklaring is opgemaakt op 10 november 2022. Verder staat in het stuk niets over afbetaling en opeisbaarheid en is het stuk niet geregistreerd. Ook zijn er geen stukken waaruit de daadwerkelijke betaling van het geleende bedrag aan [appellant] blijkt. Van authentieke documenten waardoor aan het bestaan van de schuld redelijkerwijs niet valt te twijfelen, is geen sprake.
11.1. De grond die [appellant] aanvoert over het evenredigheidsbeginsel, gaat over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, onder 10 e.v.). [appellant] heeft geen redenen gegeven waarom deze uitspraak, waar de rechtbank naar heeft verwezen in haar uitspraak, niet juist zou zijn. 11.2. De rechtbank heeft ook met betrekking tot het beroep op de hardheidsclausule verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak van 15 mei 2024. In die uitspraak overwoog de Afdeling dat er in bijzondere situaties aanleiding kan bestaan voor het toepassen van de hardheidsclausule omdat het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken overwegend onbillijk is, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. De rechtbank heeft in haar uitspraak uitgebreid beoordeeld of daarvan sprake is met betrekking tot de schuld van [appellant] aan [persoon 3]. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom de rechtbank dat onjuist of onvolledig heeft gedaan. Alleen al daarom kan zijn standpunt niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
Schulden aan [persoon 4]
12. [appellant] heeft verzocht om overname van een schuld van 1.750,00 dollar en van € 20.000,00 aan [persoon 4]. Bij het besluit van 12 oktober 2023 heeft de minister de weigering om deze schulden over te nemen gehandhaafd, omdat ze niet zijn vastgelegd in een notariële akte. De rechtbank heeft geoordeeld dat het vereiste dat informele schulden moeten worden vastgelegd niet getoetst kan worden aan het evenredigheidsbeginsel, omdat van niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden geen sprake is. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt. De overgelegde stukken leiden niet tot de conclusie dat aan het bestaan van de schulden niet redelijkerwijs kan worden getwijfeld. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het overgelegde stuk van "Housing and Development Bank Sohag Branch" van 10 oktober 2007 onvoldoende is om aan te nemen dat [appellant] een bedrag van 1.750,00 dollar heeft geleend van [persoon 4], omdat het stuk alleen de naam van [persoon 4] vermeldt. De ‘erkenning van schuldenlast’ is eenzijdig opgesteld op aangeven van [appellant]. Verder staat in het stuk niets over afbetaling en opeisbaarheid en is het stuk niet geregistreerd. Ook zijn er geen stukken waaruit de daadwerkelijke betaling van het geleende bedrag aan [appellant] blijkt. Van authentieke documenten waardoor aan het bestaan van de schuld redelijkerwijs niet valt te twijfelen, is geen sprake.
12.1. De grond die [appellant] aanvoert over het evenredigheidsbeginsel, gaat over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, onder 10 e.v.). [appellant] heeft geen redenen gegeven waarom deze uitspraak, waar de rechtbank naar heeft verwezen in haar uitspraak, niet juist zou zijn. 12.2. De rechtbank heeft ook met betrekking tot de hardheidsclausule verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak van 15 mei 2024. In die uitspraak overwoog de Afdeling dat er in bijzondere situaties aanleiding kan bestaan voor het toepassen van de hardheidsclausule omdat het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken overwegend onbillijk is, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. De rechtbank heeft in haar uitspraak uitgebreid beoordeeld of daarvan sprake is met betrekking tot de schulden van [appellant] aan [persoon 4]. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom de rechtbank dat onjuist of onvolledig heeft gedaan. Alleen al daarom kan zijn standpunt niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
Schuld aan ABN AMRO bank
13. [appellant] heeft verzocht om overname van een schuld van € 60.000,00 aan ABN AMRO. Dit betreft een persoonlijke lening. Bij het besluit van 12 oktober 2023 heeft de minister de weigering om deze schuld over te nemen gehandhaafd, omdat deze niet opeisbaar is geworden vóór 1 juni 2021. Op 31 mei 2021 bestond wel een betalingsachterstand van € 534,34. Deze stond ten tijde van de bezwaarfase niet meer open. Ook de betalingsachterstand kan daarom niet worden overgenomen. De rechtbank heeft overwogen dat uit de uitvraag door de SBN blijkt dat de schuld niet is opgeëist. Het lag daarbij op de weg van [appellant] om aannemelijk te maken dat de schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021. Er is daarom geen sprake van een onzorgvuldig voorbereid besluit. De geringe betalingsachterstand is onvoldoende voor de conclusie dat de persoonlijke lening opeisbaar was vóór 1 juni 2021. De schuld is daarom terecht niet overgenomen.
13.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de schuld ten onrechte niet is overgenomen. Door de betalingsachterstand was ook de hoofdsom opeisbaar geworden. [appellant] heeft daarbij eerst in hoger beroep een transactieoverzicht, een betalingsherinnering van 31 maart 2021, en de voorwaarden van de persoonlijke lening overgelegd.
13.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie: de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5101), zijn de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) bepalend voor de beantwoording van de vraag of en op welk moment een schuld, waarvan om overname is verzocht, opeisbaar is geworden. Een schuld is in de regel opeisbaar wanneer de schuldeiser nakoming kan vorderen. Artikel 6:38 van het BW bepaalt dat wanneer geen termijn voor nakoming is bepaald de verbintenis direct opeisbaar is. Is wel een termijn voor nakoming bepaald, dan is de verbintenis pas na het verstrijken van die termijn opeisbaar (artikel 6:39 van het BW). Of al dan niet een termijn voor nakoming is bepaald, vloeit voort uit wat partijen zijn overeengekomen en uit wat volgt uit de wet, de gewoonte en de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW). Artikel 4.1, tweede lid aanhef en onder b, van de Wht verlangt slechts dat sprake is van een voor 1 juni 2021 opeisbare schuld. Niet relevant is dus of een schuldeiser met een opeisbare vordering voor 1 juni 2021 ook daadwerkelijk al stappen tot invordering of opeising heeft gezet. Dat strookt ook met de bedoeling van de wetgever, die met de private schuldenregeling heeft beoogd om gedupeerden van de toeslagenaffaire die te kampen hadden met betalingsachterstanden en opeisbare schulden en dientengevolge mogelijke incassomaatregelen of de dreiging daarvan een nieuwe start te bieden. 13.3. Uit het besluit van 12 oktober 2023 blijkt dat de minister met betrekking tot de hoofdsom is nagegaan of deze door de betalingsachterstand opeisbaar was geworden. De minister heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat dit niet het geval was. Uit de overgelegde overeenkomst volgt dat de hoofdsom onder meer opeisbaar is indien sprake is van een betalingsachterstand van twee maanden, en betaling na een ingebrekestelling uitblijft. Anders dan [appellant] betoogt, heeft hij geen ingebrekestelling, maar een betalingsherinnering overgelegd. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat het resterende deel van de schuld opeisbaar was voor 1 juni 2021. De rechtbank heeft in zoverre terecht geoordeeld dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarde voor overneming. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat niet gebleken is dat de schuld is opgeëist.
Het betoog slaagt niet.
Hardheidsclausule - persoonlijke omstandigheden
14. [appellant] betoogt verder dat zijn schulden overgenomen zouden moeten worden met toepassing van de hardheidsclausule vanwege zijn persoonlijke omstandigheden. [appellant] heeft in het verleden alles gedaan om zijn huis te behouden, met name vanwege zijn gehandicapte dochter. Hij wijst erop dat het gezin al jaren onder grote spanning leeft, in die mate dat van een gebruikelijk gezinsverband geen sprake meer is. [appellant] heeft daarbij te maken met zware psychische problematiek, die door de toeslagenaffaire is ontstaan. Op de kinderen heeft de toeslagenaffaire en de gevolgen die dit voor [appellant] heeft gehad een grote impact gehad. De enorme impact van de gebeurtenissen wordt niet opgelost met een geldbedrag. [appellant] kan niet meer werken. Het is voor hem onverteerbaar dat de schulden niet worden overgenomen.
14.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kan de hardheidsclausule niet alleen in onbillijke situaties worden toegepast, maar ook in situaties waarin sprake is van schrijnende omstandigheden. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden (zie de uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456). 14.2. De Afdeling is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat afwijzing van het verzoek om overname in het geval van [appellant] niet leidt tot een schrijnende situatie, waardoor de hardheidsclausule zou moeten worden toegepast. Met betrekking tot de financiële situatie van [appellant] is daarbij relevant dat hij geen inzage heeft gegeven in zijn financiële situatie en op dit punt geen gegevens heeft overgelegd, hoewel de Afdeling hem voorafgaand aan de zitting heeft gewezen op het belang daarvan en hem in de gelegenheid heeft gesteld die gegevens in te brengen. Verder heeft [appellant] op de zitting aangegeven op dit punt geen andere informatie te kunnen overleggen. [appellant] heeft verder indringend gewezen op zijn ingewikkelde persoonlijke situatie. In dat kader is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, de hardheidsclausule in het kader van de regeling voor private schulden geen grond biedt om leed te compenseren dat zich ten tijde van de toeslagenaffaire heeft voorgedaan, maar dat daarvoor andere regelingen zijn bedoeld.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
15. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
16. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, mr. J.M. Willems en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.S. de Jong, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025